DE VRIENDEN VAN WANDERS

Welke modeontwerpers en vormgevers zijn toonaangevend voor het begin van de 21ste eeuw? In M aandacht voor de nieuwe garde. Deze maand: Nederlands grootste trots in de designwereld vervult zijn eigen droomwensen.

Hij geeft ongeveer één interview per week, zegt ontwerper Marcel Wanders (1963) kalm. Dat is wel veel, ja, maar het stoort hem niet. Ontwerpen, legt hij uit, is in de kern namelijk het 'creëren van informatie'. En die moet natuurlijk wel 'gecommuniceerd' worden. En de voorwerpen dan, vraag ik en wijs op Wanders' grootste hits, die om ons heen hangen en staan: de Knotted Chair, een geknoopte stoel van ijzersterk touw, de Shadow Lamps van wit katoen, de porseleinen Egg Vases die hun vorm kregen door condooms met hardgekookte eieren te vullen. Moeten die niet voor zichzelf spreken? Dat dóén ze al, zegt Wanders fel. Maar misschien valt er nog wel meer over te zeggen. Elk ontwerp bevat ook een heleboel 'niet-leesbare informatie'.

Er was een tijd dat hij het gevoel had dat hij met niemand over zijn vak kon praten. Tegen zijn vriendin Annette verzuchtte hij dat hij zich eenzaam voelde. 'Maar stel dat er iemand is die jouw opvattingen deelt', antwoordde zij, 'Hoe weet die jou dan te vinden?' Wanders besloot zijn ideeën over ontwerpen op te schrijven en te publiceren. In 1999 verscheen Wanders Wonders. Design for a New Age als catalogus bij een tentoonstelling van zijn werk in Het Kruithuis in Den Bosch. Tegenwoordig geeft hij elke klant een boek mee - als die het niet al heeft. En bij elke brief en elke ontmoeting probeert hij zich nu meteen zo duidelijk mogelijk uit te drukken. Zo voorkom je misverstanden.

Wanders Wonders. Design for a New Age is een klein, sierlijk stijlbijbeltje. Na loftuitingen van kunstbonzen als Paola Antonelli van het Museum of Modern Art in New York en Aaron Betsky van het MoMA in San Francisco (beide musea hebben een Knotted Chair in hun vaste collectie) volgt Wanders' eigen ideeëngoed. Onze cultuur lijdt aan een baby-face fixation, stelt hij, een verheerlijking van het jonge en nieuwe en een gebrek aan respect voor het oude. Een ontwerper die daarin meegaat en 'jonge' producten aflevert, zal zijn werk binnen de kortste keren vervangen zien worden door weer iets nieuwers, jongers, hippers. Zo iemand maakt wegwerpproducten en daar zijn er in de wereld al veel te veel van. Wanders' ambitie is het juist om dingen te maken die voortkomen uit en herinneren aan wat er al is, dingen die eruit zien als familiar friends waarmee de gebruiker een levenslange relatie kan aanknopen. Behalve met het milieu in het groot houdt de ontwerper zo rekening met zijn 'persoonlijke ecologie': hij vervult zijn eigen droomwensen en respecteert daarmee zichzelf. 'Everyone still wants to be Lassie!' juicht hij tot slot - een nogal cryptische hartekreet om aan te tonen dat het Goed is, wat hij doet.

Je kunt zijn filosofieën zweverig of pretentieus noemen, of zelfs inconsequent - persoonlijke en echte ecologie gaan allicht niet bij iedereen even goed samen als bij Wanders - maar wie de teksten naast de foto's van zijn ontwerpen legt, moet toegeven dat Wanders woord houdt. Zijn beste stukken zien er inderdaad uit alsof ze altijd al bestaan hebben, alsof je ze had kunnen vinden tijdens een strandwandeling of ze zelf had kunnen verzinnen. Op een vriendelijke, vanzelfsprekende manier eisen ze een plekje in de omgeving op. Rustige, witte lampen. Een laag, transparant tafeltje met kantpatroon, een porseleinen vaasje met een structuur van spons.

Alle ontwerpen ademen dezelfde rust, ruimte en helderheid.

Over zijn persoonlijke achtergrond is Wanders al even helder. Zijn ouders in Boxtel waren middenstanders, met een eigen warenhuis. Geen smaak, geen cultuur. 'Ze zaten bij de operette, dat zegt al genoeg. Maar het had ook voordelen, hoor. Ik was niet belast met goede smaak.' Zijn twee zussen en twee broers waren allemaal 'bizar verschillende mensen'. Marcel, de middelste, was een knutselaar: kapotte spullen uit de winkel gingen naar hem, en op de timmerzolder van huize Wanders sloeg hij dan aan het slopen. 'Ik wilde elk object zelf uit elkaar halen, onderzoeken, fiksen. Als mijn fiets kapot was, dacht ik dat ik hem zelf beter kon repareren dan de fietsenmaker. Vaak was dat nonsens, maar ik leerde er wel praktisch van denken.'

Wanders meldde zich in 1981 aan bij de Academie voor Industriële Vormgeving. In de zeven roerige jaren daarna studeerde hij voor ontwerper in Eindhoven, Maastricht, het Belgische Hasselt en in Arnhem, waar hij ten slotte cum laude afstudeerde. Hij was 'verschrikkelijk' in die tijd, vertelt hij nu. Een onuitstaanbare uitslover. Op elke school ontstonden problemen. Hij maakte geen ruzie, zegt hij, maar 'ik legde de docenten wel graag uit hoe ik vond dat het zat'. Een sapkan voor het vak keramiek - 'Flauwekul, want niemand kan zien wat er in zo'n kan zit als ie in de ijskast staat' - maakte hij dus eerst in keramiek, om de docent te plezieren, en daarna nog eens in glas.

In Eindhoven hadden ze al gauw genoeg van de jonge Draufgänger en na een jaar werd Wanders er weggestuurd. Hij was diep gekrenkt. 'Ik wist toen al honderd procent zeker dat ik ontwerper wilde worden, en een goeie ook, want anders is het een rotberoep. Dus bedacht ik zelf hoe m'n ideale opleiding eruit zou moeten zien. Maastricht was erg ambachtelijk, met veel aandacht voor historisch perspectief, Hasselt was juist hard en industrieel. Dus ging ik naar allebei, op en neer met de trein. Daarnaast studeerde ik me het leplazerus: boeken over sociologie, psychologie, filosofie, over de microstructuur van kunststoffen. Ik ging de diepte in, al begreep ik soms maar de helft van wat ik las. Allemaal omdat ik dacht dat ze dat in Eindhoven ook deden. Maar daar ontvluchten ze juist de intellectuele kant van het vak.'

In Maastricht gooide Wanders hoge ogen toen hij een nationale ontwerpwedstrijd voor sieraden won met vier 'producten zonder functie'. Hij kan ze nog steeds precies tekenen: zo een dingetje, met daar een handvat, een slurfje... Als ontwerpen geen aantoonbare functie hebben, kunnen het net zo goed sieraden zijn. De jury bewonderde zijn visie, de ontwerpen werden deel van een internationale expositie. Maar ook in Maastricht ging het toch weer mis. Wanders: 'Bij de eindbeoordeling was er een docent die zei: had je hier niet toch een radiootje in kunnen zetten? Dat deed het 'm. Weg hier, dacht ik, en heb me in Arnhem aangemeld.'

Daar stond Wanders naar eigen zeggen 'de hele dag te ouwehoeren' op de werkplaats en bouwde hij 's avonds, als iedereen weg was, aan zijn modellen. 's Nachts op zijn kamertje tekende hij vaak nog. Slapen of eten deed hij nauwelijks. Met vrienden hield hij zich niet bezig. Hij had wel een vriendin, Annette, die in Tilburg textiele werkvormen studeerde. Tegen het eind van zijn studie had Wanders vele nuttige contacten gelegd in de echte wereld. Een servies en een stoel van zijn hand waren al in productie, zijn eindexamenproject kwam op de cover van een ontwerperstijdschrift. 'Ik had een grote bek', zegt hij nu. 'Ik deed alsof ik alles wist.' Eenmaal afgestudeerd kon hij meteen als parttime docent design zijn visie op het vak dicteren aan studenten in Amsterdam, Rotterdam en zelfs in het vermaledijde Eindhoven. 'Ik stelde me op als anarchist, met de organisatie van de opleidingen wilde ik niets te maken hebben. Nu droom ik er soms van om echt iets te veranderen op zo'n school. Maar dan wil ik wel mijn eigen afdeling.'

Met Annette verhuisde Wanders in 1988 naar Rotterdam, een stad vol 'eerlijke arbeidersenergie'. Hij werkte er een paar jaar bij Landmark Design & Consult en werd daarna partner bij WAAC's, een maatschap van vier jonge ontwerpers. Toen brak de belangrijkste tijd van zijn leven aan, een tijd waarin alles wat hij tot dan toe voor waar had gehouden op losse schroeven kwam te staan. Annette werd ernstig ziek. Het duurde vijf jaar. In hun strijd tegen de ziekte verdiepten de twee zich in alle mogelijke alternatieve leefwijzen en therapieën: veganisme, Chinese en hindoestaanse filosofieën, werken van Anthony Robbins en Sri Hyamji Badnagar. Toen Annette weer aan de beterende hand was, verhuisden ze naar Amsterdam. 'In Amsterdam zit de energie van de poëzie in iedere steen. Rotterdam was voor ons veranderd in de stad van Annette's ziekte .'

Ook uit de Rotterdamse ontwerpersmaatschap moest Wanders nodig weg, ontdekte hij. De sfeer was er net iets te grappig, te cynisch geworden. Het paste hem niet meer. In Amsterdam keerde hij zijn vak zelfs even helemaal de rug toe, hij ging werken als alternatief therapeut. 'Design had elke waarde voor me verloren. Waarom zou je in godsnaam nog iets nieuws maken? Pas toen ik m'n nieuw verworven inzichten in mijn beroep durfde te implementeren, had het voor mij weer zin.' Hij opende zijn eigen studio, Wanders Wonders, waar nu, zo'n vijf jaar na de start, acht mensen werken. Kantoor en studio bevinden zich in een lange, tunnelachtige ruimte onderin het pand aan de gracht waar Wanders en Annette wonen met Joy, hun dochtertje van bijna drie.

De bezigheden van Wanders Wonders vallen in twee delen uiteen. Studio Marcel Wanders ontwerpt en produceert. Daarnaast is er het label Wanders Wonders, gericht op marketing en verkoop. Dat deel van het bedrijf wordt vanaf 1 april dit jaar ondergebracht in Moooi, een interieurlabel dat op den duur de hele wereld moet gaan veroveren. Casper Vissers wordt er algemeen directeur, Wanders art director: 'Als ik wil dat het een echt commercieel succes wordt, moet ik er zelf uitstappen. Ik kan me beter met ontwerpen bezighouden.' Studio Marcel Wanders gaat na 1 april gewoon verder met waar ze goed in is: het projectmatig ontwikkelen en produceren van de meest uiteenlopende dingen. Het team bedacht de medailles voor de Gay Games van 1998, roestvrijstalen borrelglaasjes voor de deelnemers aan de Amsterdamse Eurotop in 1997 en voor uitzendbureau Randstad relatiegeschenken als een waterkaraf en een 'schommeltrommel' met koekjes. Daarnaast zijn er de prestigieuze ontwerpen van vazen, stoelen en lampen, waar een ontwerper niet snel rijk van wordt, maar die onmisbaar zijn voor z'n naamsbekendheid. Wanders ontwikkelt veel ideeën voor Droog Design, een Amsterdams samenwerkingsverband van ongeveer twintig ontwerpers dat internationaal aanzien geniet en waarvan Wanders in de buitenlandse pers vaak als de vaandeldrager wordt omschreven. Droog, staat er dan, is 'a typically Dutch expression'. Het betekent sober, functioneel, maar ook eigenzinnig en grappig, en Wanders' ontwerpen zijn dat allemaal.

Het leven smaakt Wanders zoet, de laatste tijd. Ontwerpen is weer leuk. Voor de uitvoering van zijn ideeën kan hij nu aankloppen bij fabrikanten van naam als Cappellini, Magis en Boffi in Italië. Het internationale succes vraagt om veelvuldig reizen, maar het liefst is Wanders thuis, waar hij zich omringd weet door louter vrouwen: z'n vriendin, z'n dochter en zijn staf, die sinds enige tijd geen enkele man meer telt. 'Elke competente man is welkom hier, maar mijn ervaring leert dat design echt een vrouwenvak is. Mannen zijn als autocoureurs met een one-track mind. Bij de minste afleiding vliegen ze uit de bocht. Maar een ontwerper mag juist nooit aan één ding tegelijk denken. Die moet aldoor connecties maken, nieuwe verbanden zoeken. Iemand in het buitenland zei een keer over mijn werk dat ik een 'vrouwelijk handschrift' had. Dat vond ik een prachtig compliment.' M

Sandra Heerma van Voss is redacteur kunst van NRC Handelsblad.

Leo Hol is freelance fotograaf. Hij werkt hoofdzakelijk voor reclame- en grafische ontwerpbureaus.

[streamliners] 'ONZE CULTUUR LIJDT AAN EEN VERHEERLIJKING VAN HET JONGE'

'IK WILDE EEN GOEIE ONTWERPER WORDEN, ANDERS IS HET EEN ROTBEROEP'

'VROEGER DEED IK ALSOF IK ALLES WIST'

    • Sandra Heerma van Voss