DE NAAKTE SOLDATEN VAN HET GELOOF

In Allahabad vond begin dit jaar het twaalfjaarlijkse religieuze festival Kumbh Mela plaats. Tijdens dit heilige Feest van de Kruik nemen miljoenen pelgrims en duizenden naakte sadhu's een duik in de Ganges om al hun zonden weg te wassen. Maar waarom lopen onthechte sadhu's rond met mobiele telefoons? Een verhaal over de binnenkant en de buitenkant, hindoetrots en het rotsvaste vertrouwen in het eeuwige India.

'Alles heeft een buitenkant', zei Bhaskar Bhattacharyya bij het vuurtje in het luxueuze kamp van de Britse reisorganisatie Cox & Kings. Ik had een dag lang rondgelopen in de Kumbh Mela, in het begin met grote geestdrift. Dit was toch een schrijversparadijs? Al die figuren, de absurde taferelen, de gekte, je hoefde maar te kijken en te noteren.

Ik had: halve man op kist, geen onderlijf, geen armen; luidkeels zingende mensen dragen troon waarop tienjarig meisje met kroon en rode jurk; drie oude vrouwen maken zandhoopjes en aanbidden ze als godsbeeldjes; voormalig luchtmachtofficier richt eigen tempel op en noemt zich 'Pilot Baba'; naakte, met as besmeurde man met drietand in de hand houdt roerloos de wacht bij altaar waar zich niets op bevindt. De lijst ging maar door. Maar het was de ongerijmdheid waardoor ik me oncomfortabel voelde. Ik kreeg bijvoorbeeld wel uitgelegd dat het meisje dat op de troon werd meegezeuld een Kunvari was, een jonge maagd die door een lokale priester was herkend als de reïncarnatie van een godheid - maar hoeveel van wat ik zag was carnaval en hoeveel echt geloof?

Helemaal de kriebels kreeg ik van sadhu's met mobiele telefoons aan hun oor. Een sadhu is iemand die afstand heeft genomen van het aardse leven en door jarenlange oefening en zelfkastijding al het menselijke te boven is gekomen. Hij kent geen honger, geen angst en geen pijn. Hij kent geen afgunst, geen begeerte en geen hebzucht; wat moet hij in hemelsnaam met een mobiele telefoon?

Ik vroeg het aan Bhaskar Bhattacharya. Eigenlijk zou ik Bhaskar zo kunnen toevoegen aan mijn lijst met absurde taferelen. Hij had Oosterse wijsbegeerte gestudeerd in Calcutta en Oxford. Na zijn proefschrift werd hij filmer en maakte hij artistieke documentaires die niemand wilde zien. In die tijd liet hij ook een baard staan en wandelde hij rond in oranje gewaden. Hij noemde zichzelf geen sadhu, maar hij kreeg discipelen, vooral blanken en Indiase intellectuelen. Misschien vanwege zijn onberispelijke Oxford-Engels, zijn prachtige baritonstem en de sardonische manier waarop hij het hindoeïsme verklaart. Volgens Bhaskar wil de beroemde sadhu die al twintig jaar een arm omhooghoudt, slechts toestemming om te gaan plassen. Als je het mij vraagt is Bhaskar een atheïst, maar dat kan bij hindoes. Je hoeft niet in God te geloven, als je de regels maar volgt, de rituelen volbrengt en de filosofie bestudeert.

Madonna in een 'vijfsterren-tent'

Gelukkig trof ik Bhaskar alleen. Hij zat bij zijn dhuni, het kampvuur waar de sadhu zijn gasten en discipelen ontvangt. Nu kon ik hem vragen om voor één keer serieus te zijn: 'Hoe kan het dat de sadhu's zo fanatiek geld inzamelen, met mobiele telefoontjes spelen, digitale camera's om de nek hebben hangen en zelfs op blinkende motorfietsen rondrijden? Zijn het heilige mannen of charlatans?'

Toen zei hij bij het knetterende vuur: 'Alles heeft een buitenkant.' Hij vulde zijn chilum, de hasjpijp, nam een stevige trek en vervolgde: 'Het is de binnenkant waar het om gaat. De buitenkant is tijdelijk. Neem deze mela (feest), over een maand is alles door het stijgende water weggespoeld en is er geen spoor meer van over. Toch zoekt men hier naar de eeuwigheid.'

Het klonk eerst als het hindoe-abracadabra dat ik kende van mijn grootvader. Hij kwam nog uit India en was priester, en hij kon ons uren uitleggen wat de bedoeling was van het offer, van barmhartigheid en deugd. Maar ik had geen aanleg voor metafysica. Ik kon zelfs niet worden meegesleept door de mythen, over de zachtaardige Vishnu die als Ram of Krishna terugkeerde en zich eindeloos kon vermenigvuldigen, of de boosaardig dansende Shiva die per ongeluk het hoofd van zijn zoon afhakte en het door een olifantskop verving.

Maar toch had ik het gevoel dat Bhaskar oprecht zijn best had gedaan om het te verduidelijken. Hij kreeg deze vragen natuurlijk duizend keer per dag voorgelegd - hij is zelf trouwens ook niet wars van financieel gewin. Het was Bhaskar die het idee van de 'vijfsterren-tenten' bedacht, om de vele beroemdheden onder te brengen die deze keer naar de Kumbh Mela zouden komen. Richard Gere, Madonna, Sharon Stone, Demi Moore, Pierce Brosnan, je kunt zulke lieden toch niet laten logeren zonder een warm bad en een doorspoelende wc?

De Britse reisagent Cox & Kings ging in op Bhaskars voorstel en bouwde dit tentenkamp, compleet met restaurant, boetiek, boekhandel en Ayurvedische massagesalon. Uiteraard werd Bhaskar de huissadhu. Bhaskars verhaal over de beroemdheden uit Hollywood verscheen in alle Indiase kranten, vergezeld van foto's en mogelijke aankomstdata. Maar fans en fotografen wachtten vergeefs op de filmhelden. De enigen die de tenten van vijfhonderd gulden per dag betrokken, waren technici van de Britse televisie, BBC en Channel-4. Bhaskar, donker van kleur, lang, sluik haar, enorme bril en een dikke wollen sjaal om zich heen, lachte in zijn vuistje. Maar hij heeft zijn ernstige momenten.

Gratis licht

In de mela wordt niet geslapen. De hele nacht schalt godsdienstige muziek uit luidsprekers die aan de palen bij de ingang van ieder tentenkamp hangen. Elke sekte, elke kloosterorde, elke yoga-school en elke goeroe met rijke volgelingen heeft aan de brede hoofdstraten een eigen omheind kamp; er zijn er dit keer zo'n dertienhonderd. De entree is meestal een poort van een meter of acht, van bamboe en stof, in de vorm van een fort, een middeleeuws kasteel, een Griekse tempel, hele bouwwerken versierd met duizend lampjes die aan- en uitflakkeren. Elektriciteit is namelijk gratis.

In de smalle zijstraten van de mela houden de onbemiddelde sadhu's zich op, met volgelingen uit de lagere kasten. Hun kampen zien er armzalig uit. In hun gebedsruimte hebben ze soms niet meer dan een kalender waarop een plaat van een Godin op een tijger is afgedrukt. Maar ze bidden er niet minder heftig om. En luidruchtig. Want hoe arm je ook bent, een flinke luidspreker hoort er bij. Het resultaat is een kakofonie van Indiase muziek, in alle stijlen die dit land met zijn tweehonderd talen kent.

Als je echt om muziek geeft, moet je de officiële mela verlaten en de heuvels rond de Ganges en Jamuna op gaan. Daar bivakkeren de armste pelgrims, mensen met diepgegroefde gezichten, voor wie een tent van een gulden per avond te duur is. Ze slapen in geïmproviseerde hutjes van jute en riet of zomaar in de open lucht. Ze hebben het mooiste uitzicht, op de hele mela, die van hieruit met de kleurige lampjes en tempels wel op Las Vegas lijkt. Zij horen de beste zangers: de derwisjen, artistieke monniken die door het land trekken, zich ergens in het zand neervlijen, een vuurtje stoken, de hasjpijp aansteken en bijna letterlijk de sterren van de hemel zingen.

Uren luisterde ik daar naar een jongen uit Bengalen die zo helder en klankvol zong, dat ik hem vroeg waarom hij niet al lang beroemd was. Hij lachte schaapachtig. Ooit had hij vrouw en kinderen en een baan als monteur. Op een dag hoorde hij een stem: 'Jij bent al honderd levens een derwisj geweest. Een derwisj zul je zijn.' Hij liep zijn werkplaats uit en zag, o wonder, op een hoek een blinde man die aan het hoofd stond van een groep rondtrekkende zangers. 'Welkom', zei de blinde, 'we wachtten al op je.'

Schimmen in de mist

De derwisjen zingen nog steeds, als er tegen twee uur 's nachts beweging is in de rieten hutten om ons heen. Vrouwen steken kooktoestellen aan en zetten thee. Kinderen strompelen naar buiten, mannen doen koperen ketels en andere attributen in katoenen tassen. Ze vertrekken in alle stilte.

Steeds meer mensen sluiten zich aan, in dekens gehulde schimmen in de mist. Ze lopen over de wiebelende pontonbruggen. Zwijgend. Zelfs de kinderen dreinen niet. Alsof ze voelen hoe belangrijk dit moment is. Alsof ze weten dat ze de bittere kou moeten trotseren om de verlossing te krijgen die vooral zij zo hard nodig hebben. Voor hen is het een waar gebeurd verhaal: dat demonen de kumbh, de kruik met onsterfelijk makende nectar, hadden meegenomen, maar dat de zoon van de god Indra de kruik weer wist te bemachtigen. Vier keer moest hij strijden met zijn achtervolgers, waarbij hij de kruik neerzette en druppels in de Ganges morste. Hierdoor werd het water heilig en wie zich erin wast, geneest van zijn ziekten en komt dichter bij de moksha: de ontsnapping uit de kringloop van geboorte en wedergeboorte en de vereniging met de Goddelijke Ziel.

Bij de Sangam, de samenvloeiing van de Ganges en de Jamuna, trekken de mannen hun bovenkleding uit. De vrouwen stappen met kleren en al de donkere plas in en nemen een volle duik. De temperatuur van het water komt net boven het vriespunt. Met de hand als kom gieten ze druppels over de middenscheiding van het haar. Ze drinken drie slokjes en ze klimmen weer naar de oever. Daar staan anderen al klaar, om precies hetzelfde te doen. Rij na rij, ze blijven komen, de individuele mensen lijken samengesmolten tot een monsterachtige rups die even het water aandoet en zich weer terugtrekt. Het is niet plechtig, het is eerder vormelijk, bijna mechanisch.

Tegen de tijd dat het licht wordt, zijn de leden van de lagere kasten al weg. De Sangam is nu van de brahmanen, die meer rumoer veroorzaken. Er zijn priesters die gebeden opzeggen als de baders terugkeren, om het proces van zuivering af te ronden. Er zijn verkopers van takjes zoethout, kammen, handdoeken en thee. De ordelijke slang van arme mensen in de duisternis heeft plaatsgemaakt voor de herrie van een markt.

Opstandige naakten

Tegen tien uur 's ochtends, als de zon al aangenaam warm is, is het weer rustig. Iedereen is naar zijn tent om te ontbijten. Een enkele sadhu ligt te zonnen op een plek waar het niet mag. De politie heeft de onveilige plaatsen met palen afgezet; de stroom van de Ganges is sterk en onvoorspelbaar. Ik zie een naga, een naakte sadhu, aan de oever zitten. Twee ge-uniformeerde mannen in een bootje leggen aan en overleggen of ze de sadhu zullen vragen zich te verwijderen. Naga's zijn opstandig, soms gevaarlijk. Na enkele minuten vatten de rivierwachters moed en vragen hem uiterst voorzichtig of hij achter de omheining wil gaan. De naga negeert ze. Hij begint zich zorgvuldig in te wrijven met as uit een keteltje. Daarna komen kleurige potjes te voorschijn uit een tas. Kijkend in een spiegeltje schildert hij tekens op zijn voorhoofd. De rivierwachters staan er bedremmeld bij.

De strepen op zijn voorhoofd zijn horizontaal, dat betekent dat de naga een volgeling van Shiva is. De Vishnu-volgelingen hebben verticale strepen en tussen deze twee groepen heerst grote rivaliteit. De Shiva-volgers zijn wilder, woester en vechtlustiger. Maar na zijn toilet wandelt de naga rustig weg, zonder de autoriteiten een blik waardig te keuren.

'Soms lijkt het oude India, het oude, eeuwige India, waar veel Indiërs graag over spreken, gewoon almaar voort te duren', is de openingszin van V.S. Naipaul's India: A Wounded Civilization. Het is irritant waar. In de middag is de mela de meest gewone stad die je je voor kunt stellen. Mensen kuieren rond, eten pinda's of geroosterde maïs, doen boodschappen, kijken naar de versierde poorten en de metershoge godsbeelden, passen armbanden of schoenen. Maar toch blijft het een stad van het oude India: er hangt een lucht van brandend hout, wierook en kruiden en de overheersende kleur is kaki. De grond en de tenten zijn kaki, waar de klederdrachten van de mensen fel tegen afsteken: groen, oranje, rood of geel. Hier en daar zie je een anachronisme: een speelgoedrobot op een tafel, met piepjes en rode lampjes, waar je voor tien rupees je horoscoop kunt beluisteren. Het is heuse concurrentie voor de sterrenwichelaars en handlezers die op de grond gehurkt zitten en verveeld rondkijken. Er is er maar één die het druk heeft, een mooie jongeman met grote, witte tanden en een bord waarop met de hand geschreven staat: International Astrologer. 'Getrouwde vrouwen hebben vaak rug- en heupklachten', vertelt hij. 'Ze kijken er altijd van op als ik het blijk te weten.' Hij gniffelt: 'Weet je hoe ze aan die klachten komen? Geen seksuele bevrediging. Ik raad ze aan met passie te bidden en te vasten, voordat ze seks hebben. Maar ik geef ook wel eens tantrische therapie.' Met dat laatste bedoelt hij dat hij de vrouwen betast.

Er zijn ook andere tekens van het moderne leven: kiosken die internetverbindingen aanbieden, promotiebusjes waar tubes Colgate-tandpasta en pakjes Maggi-tomatenketchup worden uitgedeeld. Maar de pelgrims uit de dorpen ruiken wantrouwend aan de tandpasta. Ze houden het bij hun takjes zoethout. En wat moeten ze met ketchup?

The Greatest Show on Earth

Groot en blank en nerveus zijn de vele cameramensen uit het buitenland. Ze dragen mouwloze jacks met uitpuilende zakken, ze rijden haastig rond in jeeps met vierwiel-aandrijving en ze gillen aldoor in walkie-talkies. Ze zijn daar, waar iets gebeurt. Of misschien is het precies omgekeerd: er gebeurt iets, als zij er zijn. Vooral de ploeg van Channel-4 is erg aanwezig. Ze zijn met zestig man naar de mela gekomen en maken een dagelijkse uitzending van acht minuten onder de titel The Greatest Show on Earth. Volg een Channel-4 jeep en je ziet alle naga's die kunstjes uithalen. Ze wikkelen hun penis om een zwaard en laten iemand op het zwaard staan. Ze raken met hun tong hun voorhoofd, ze liggen op een spijkerbed of staan de hele dag op één been.

De leden van de tv-ploeg geven toe dat het gaat vervelen. Na twee weken hebben ze alles zo'n beetje gehad, zegt een geluidsman. Zelfs de buitenlandse tovenaars zijn aan bod geweest: Kali Baba, een Masai uit Afrika die aan de binnenkant van zijn onderlip een voorwerp heeft zitten ter grootte van een bierviltje; de vrouwelijke sadhu uit Japan die met een stethoscoop demonstreert hoe ze haar hartslag kan verlagen. 'Ze snappen niet wat onze kijkers willen zien', zegt de geluidsman met een joint in de hand. 'Dit moet de grootste religieuze bijeenkomst op aarde voorstellen, maar raak je daarvan onder de indruk?'

Hij heeft gelijk. De straten zijn schoon, nergens ligt zwerfvuil, de veertigduizend la-trines worden door zevenduizend schoonmakers geleegd, zoekgeraakte kinderen worden dankzij de luidsprekers en de vele politieposten vrijwel meteen gevonden, er zijn nauwelijks zakkenrollers, geen bedelaars, er heerst rust en orde onder de twee à drie miljoen bewoners van de tijdelijke stad op de oevers van de rivier en tijdens de massale baden is er maar één dode gevallen, een oude man die een hartstilstand kreeg. Maar er moeten genoeg spannende verhalen zijn, weet de geluidsman. Het komt omdat de Indiase productie niet meewerkt. Wie daar de leiding van heeft? Ene Bhaskar Bhattacharyya.

Die Bhaskar. Overal een vinger in de pap. Hij lacht erom als ik hem weer spreek bij zijn haardvuur in Cox & Kings. Het is waar, hij wordt er dik voor betaald, maar als die Britten ontevreden zijn, komt dat doordat ze hierheen zijn gekomen met een verkeerd beeld.

Al dagen probeert Bhaskar de gemoederen onder de strengere sadhu's te sussen, zegt hij. Ze zijn boos, omdat de mensen van Channel-4 alleen de spectaculaire naga's in beeld brengen. Er is geen enkel interview geweest met een serieuze sadhu over de achtergrond van de Kumbh Mela. Dat het feest al 4.000 jaar gevierd wordt. Dat dit het scheppingsverhaal is van de hindoes. Dat het aangeeft dat Goden niet almachtig zijn. Want dat is de essentie van de Kumbh Mela: de Goden vochten om de kruik met de nectar die onsterfelijk maakt, maar de demonen hadden bijna gewonnen.

De moraal hiervan is dat mensen niet blindelings moeten vertrouwen op de Goden. Ze moeten hun eigen verantwoordelijkheid kennen. Een bad in de Sangam is niets minder dan een bewijs van solidariteit met de Goden. 'In welke godsdienst wordt gevraagd om solidariteit met God?' zegt Bhaskar. 'Gehoorzaamheid, ja, onderworpenheid, ja. Maar solidariteit suggereert gelijkwaardigheid. Ieder mens is God, een deel van God. Zulke verhalen vinden die Britten maar saai.'

Exotische Anderen

'Die Britten', zegt Bhaskar met nadruk. En hij beschrijft ze als kolonialen die Indiërs nog altijd behandelen als de exotische Anderen. 'Wij zijn de gekken, de circusartiesten, de clowns. Wij moeten ze vermaken. En dat is de buitenkant, jongen, het is de buitenkant.' Ik kijk op van zijn gekrenktheid. Ik dacht dat hij in de eerste plaats een handige koopman was, maar Bhaskar heeft een hindoetrots! Maar toch, met alle respect, hoe achterhaalt iemand de binnenkant? 'Dat je het na drie dagen nog niet weet', mompelt hij smalend, maar hij belooft me vanavond mee te nemen. Zo komen we in het kamp waar gewoonlijk niemand naar binnen durft, de Juna Akhara, het kamp van India's grootste en oudste kloosterorde van naga's. Het zijn Shiva-aanhangers, dus heethoofdig en onbesuisd.

Vlakbij de ingang zit de beroemde naga met de arm in de lucht die volgens Bhaskar naar het toilet wil. Bij een tent aan de overkant ligt een naga ontspannen op z'n zij bij zijn vuurtje, omringd door een tiental discipelen. 'Doctor in de natuurkunde', fluistert Bhaskar. 'Cambridge.' Ik kan het nauwelijks geloven. Deze uitgemergelde, gerimpelde, uitgedroogde en verwaarloosde man met

dreadlocks, een baard en een slaphangende blote piemel, doctor in de natuurkunde?

'Toe', zegt Bhaskar en duwt me naar voren, 'stel hem een vraag.' Waarom hij naga is geworden, probeer ik schuchter. De man kijkt me aan, hoest onbedaarlijk en zegt dan in keurig Engels: 'Om te verdedigen wat we hebben: de gedachten van onze voorouders, hun opvattingen, hun levenswijzen, wat we dharma noemen. Wij zijn soldaten van de dharma. En omdat we soldaten zijn, hebben we een uniform. Het is het oudste uniform van de mens: naaktheid. We hebben niet alleen strijd geleverd tegen Alexander de Grote, de boeddhisten, de Moguls en de Britten, we hebben vooral gestreden tegen de vergankelijkheid. Als wij er niet waren geweest, waren er nu geen hindoes meer.'

Hij vertelt dat naga's pas na zware boetedoening geïnitieerd worden. Ze leven soms twintig jaar in eenzaamheid, in de oerwouden of in de bergen. Of ze begraven zich elf dagen in de grond. Maar dan begrijp ik nog niet wat ze met mobiele telefoons moeten, of met geld. 'Verwar ons begrip van boetedoening niet met de westerse lijdzaamheid', zegt de naga. 'Ik waardeer het christelijke lijden, in zijn betekenis van soberheid, eenvoud, dienstbaarheid. Maar sadhu's en vooral naga's zijn klaar met hun vorming als ze eenmaal geïnitieerd zijn. Ze hebben dan al bewezen dat ze bovenmenselijke krachten bezitten en ze mogen vanaf dat moment hun gang gaan. Sommigen worden wijs en spiritueel. Anderen worden sober en dienstbaar. Enkelen worden deugnieten, schurken zelfs. Maar als het erop aankomt, zullen ze de dharma verdedigen. Tegen de vergankelijkheid.'

Priesters, cynici of tobbers

De volgende dag blijven zijn woorden in mijn hoofd naklinken: 'Als wij er niet waren geweest, waren er nu geen hindoes meer'. Zou iemand ze hebben gemist? En wat zijn dat dan, hindoes? Priesters als mijn grootvader die kleine kinderen lastigvallen met verhalen over goden met olifantskoppen? Cynici als Bhaskar die niet in God geloven en toch reuze lol beleven aan hun hindoe-zijn? Schrijvers als Naipaul die ernstig tobben over de vraag waarom deze eigenaardige manier van leven 'gewoon almaar lijkt voort te duren'? Wat heeft de strijd tegen vergankelijkheid meer opgeleverd dan dit rare feest van monteurs die derwisj worden, sterrenwichelaars die vrouwen betasten, dorpelingen die denken dat goden als jonge maagden terugkeren en pelgrims die ervan overtuigd zijn dat het ijzige water van de Ganges verlossing biedt?

Ik ben jaloers op die simpele overtuiging. Waarom zou ik die niet kunnen hebben? Misschien is dat de 'binnenkant' waar Bhaskar op doelde. Die verwarrende, onbenoembare overeenkomst tussen stedelingen en boeren, tussen geletterden en onschuldigen, tussen grapjassen en gelovigen - dat ze samen deelnemen aan dezelfde dharma, dezelfde eeuwenoude levenswijze, die geborgenheid geeft. Er is een gemeenschappelijk gevoel van herkomst en richting, je zou kunnen zeggen van worteling, die zo ver teruggaat in de tijd, dat niemand hier gevaar ziet in moderne camera's, zakjes Maggie-ketchup of luxe wc's in tenten van Cox & Kings.

Wat hier gevierd wordt, denk ik terwijl ik in de zachte ochtendzon over de pontonbruggen naar de Sangam wandel, wat met deze massale en toch in alle kalmte gehouden bijeenkomst getoond wordt, is een gebrek aan angst voor de buitenwereld. Er is in India geen behoefte aan bescherming of afsluiting. Men wordt niet nerveus van nieuwsgierigheid of spotzucht. Oplichters, nieuwlichters, ze horen erbij; het vertrouwen in de dharma maakt wonderlijk pragmatisch. Er is geen moralisme. Er is geen hysterie. Er is enkel een stug volgehouden discipline in de uitvoering van het ritueel, of je nou wilt stilstaan bij de zin ervan of niet.

Er is bijna niemand bij de Sangam, iedereen is naar zijn tent voor het ontbijt. Ik hurk bij de rivier en schep met mijn hand een paar druppels water. Het is een tintelend gevoel, maar ook veel grootser dan dat. Ik breng mijn hand omhoog en sprenkel de druppels op mijn haargrens. Niet eerder ben ik zo dicht in de buurt geweest van heiligheid. M

Anil Ramdas is correspondent van NRC Handelsblad in New Delhi.

Steve McCurry is freelance fotograaf, onder meer voor National Geographic. Hij wordt vertegenwoordigd door Magnum/ABC.