De luxe van de hulpverlener

Turkana-land in Noordwest-Kenia was ooit een verbanningsoord. De Britse kolonisten besloten er in de jaren vijftig de gevaarlijk geachte verzetsstrijder Jomo Kenyatta naar toe te bonjouren: van de zinderende zandvlakten zou hij nooit ontsnappen.

Twintig jaar geleden nog was Lokichokio, vlak bij de grens met Soedan, het einde van de wereld. Op de uitgedroogde savanne stond één stenen huisje, van het stamhoofd, omringd door de nomadische onderkomens van de Turkana's. Het kostte drie dagen rijden vanuit de hoofdstad Nairobi om het stoffige gehucht te bereiken.

Loki, zoals het in de volksmond ging heten, is nu de grandioze nieuwe wereld van de hulpverleners. Eind jaren tachtig werd het gebombardeerd tot de hoofdbasis van Operation Lifeline Sudan (OLS), de hulpoperatie voor de oorlogslachtoffers van Zuid-Soedan. Hulpverleners in Afrika, zeker die van de Verenigde Naties, vertonen de neiging zich te omringen met luxe. Loki oogt als een vakantieoord.

Tegenwoordig vertrekken er dagelijks vanuit Nairobi reguliere vluchten naar Loki, waarmee je punten kunt verdienen voor het KLM Flying Dutchman-programma. Naast de geasfalteerde landingsbaan wacht een koude Cola in een gekoelde cafetaria. Terreinwagens met voorwielaandrijving brengen de hulpverlener naar een van de vele kampongs van de hulpwereld. In de onderkomens verdrijft een ventilator de hitte van rond de veertig graden en er bevinden zich twee zwembaden om in af te koelen. Er zijn satelliettelevisies, bars, en telefooncellen om de wereld rond te bellen. Met een creditcard kan geld worden opgenomen bij een bank. Als schril contrast slenteren er nog wat halfnaakte Turkana's in de straatjes. Zij moeten soms kilometers lopen om water te halen.

Na een copieus ontbijt de volgende dag verder naar Zuid-Soedan. Onder de vlag van de VN voeren Keniase maatschappijen tientallen vluchten uit om de hulpverlener naar het meest armzalige gebied van Afrika te brengen. Dat wordt gecontroleerd door het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA), de grootste Zuid-Soedanese verzetsbeweging. De bommenwerpers van het regeringsleger worden van tevoren ingeseind over elke vlucht, dus er dreigen weinig gevaren. Of het zou een landingsbaan moeten zijn die in een modderpoel is veranderd, of een kudde geiten die plotseling besluit de baan over te steken.

Rumbek is het centrum van de Dinka's, zij lopen in hun blote kont of in vodden. Het is een armoedig stadje, met veel kapotte gebouwen en talloze bomkraters. Rond de ooit zeer prestigieuze middelbare school liggen landmijnen. Achttien jaar oorlog heeft de Zuid-Soedanezen tot de armsten van het continent gemaakt. Er loopt door Zuid-Soedan, behalve in de regionale hoofdstad Juba, geen enkele verharde weg. Van onderwijs is nauwelijks sprake en de kliniekjes zijn rudimentair. Bovendien voert het regeringsleger vrijwel dagelijks bombardementen op scholen en ziekenhuizen uit.

In deze behoeftige omgeving hebben de hulpverleners opnieuw hun eigen wereld geschapen. De kampong van UNICEF, het kinderfonds van de VN, heeft elektriciteit, een wasserijservice, stromend water, satelliet-tv en uitstekende maaltijden van drie gangen. De catering wordt verzorgd door een Keniaans safaribedrijf, de kok was werkzaam in het Grand Regency in Nairobi, het beste hotel van Kenia.

Er is iets scheef gegroeid met de hulpverlening in Soedan. Sinds het begin van hulpoperatie OLS zijn miljarden dollars uitgegeven, vermoedelijk bijna net zo veel als wat de Soedanese regering spendeert aan haar oorlogsinspanningen. De kosten voor het onderhoud van de hulpverleners overstijgen waarschijnlijk het bedrag dat wordt besteed aan voedsel, medicijnen en andere hulpmiddelen. Morele argumenten vallen op verschroeide aarde in Afrika's langste oorlog. Het regeringsleger enerzijds en het SPLA anderzijds laten OLS al jaren zonder al te veel kritiek toe. Ze manipuleren de hulporganisaties en vechten om de donaties. OLS heeft miljoenen levens gered, maar tegen een hoge prijs.

De allerhoogste prijs is vermoedelijk de verlenging van de oorlog. De strijdgroepen kunnen zich op de gevechten concentreren, ze hoeven zich geen zorgen te maken om de bevolking. De opstand van de zuiderlingen, die in 1955 voor het eerst uitbrak, is erdoor vervormd. ,,We zijn afhankelijk geraakt van de buitenlandse hulp'', verzucht een kritisch SPLA-lid. ,,Bevrijding is niet alleen het verjagen van de vijand. Het betekent ook de bevolking aan je kant krijgen. Maar de Zuid-Soedanezen zijn apathisch geworden. Het SPLA eigent zich een deel van de voedselhulp toe, en de burgers hebben het SPLA niet nodig, want ze worden toch wel in leven gehouden.''

    • Koert Lindijer