De hoefijzerkrab

Het is bewezen. Wie door een SUV wordt aangereden, heeft minder kans het er heelhuids van af te brengen dan wie door een niet-SUV wordt geraakt. SUV is de afkorting van Sports Utility Vehicle. Sports wil zeggen dat je ermee kunt rauzen; in de Utility ligt de rechtvaardiging besloten. Nuttig rauzen. Ik schat dat de eerste SUV's een jaar of tien geleden op de weg zijn verschenen. Veredelde jeeps, van binnen comfortabeler en van buiten meer macho, hoger op de wielen en met bredere banden. Al de eerste SUV stelde de eigenaar in staat zich vervaarlijker aan de wereld te vertonen en toch lekker achter het stuur te blijven zitten terwijl hij zich nuttig maakte. Geen wonder dat er meer en meer SUV's zijn verschenen, terwijl door voortgaande vervolmaking de functies steeds beter tot hun recht zijn gekomen. De jongste generatie staat nog hoger op de wielen, ziet er nog meer uit als een glanzende pantserwagen voor het luxe straatgevecht. Wie achter het stuur van een niet-SUV zit, op gewone hoogte dus, en de van links komende SUV geen voorrang geeft, wordt door de bumper in milt en nieren geraakt. De statistiek toont aan dat dit meer voorkomt dan we denken.

Op de Amerikaanse televisie wordt voor de SUV veel reclame gemaakt. Uit de filmpjes blijkt dat de auto het best tot zijn recht komt in beboste, bergachtige streken, waar heldere waterstromen lispelend hun weg tussen de kiezels en keien vinden. In 't groene dal, in 't stille dal, waar duizend bloempjes bloeien, daar ruist een blanke waterval. In deze omgeving moeten we de SUV situeren. Ongebaande wegen zijn er niet zoveel meer en het worden er steeds minder, maar iedere dag komen er een paar duizend SUV's bij. Dat is de paradox. Hoe lossen we die op? Gelukkig is het een schijnparadox. De meeste mensen willen niet naar dergelijke gebieden, maar met hun SUV in de stad blijven. Vandaar dat het aantal beschadigingen aan milt en nieren toeneemt.

Nu is er een reisbureau dat reizen naar Antarctica organiseert. Ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die daar eens willen kijken. Als kind werd ik aangegrepen door de tocht van Shackleton. Ik had gelezen over het ontstaan van de ijsbergen: hoe een gletsjer millimeter na millimeter een reusachtig brok ijs zeewaarts schuift, hoe het dan nog lang boven zee blijft, tot het afbreekt en in het water valt. Het grootste gebouw dat ik kende, was de Bijenkorf van Dudok, in Rotterdam. Veel ijsbergen, verzekerde mijn vader, zijn veel groter. Het was mijn liefste wens, zo'n onvoorstelbaar gevaarte in het water te zien vallen.

Op Antarctica kun je als toerist nu in ieder geval de ijsbergen bezichtigen. De reis met een schip dat door het bureau van de Russen is gekocht, kost vijfduizend dollar. Je ziet ook pinguïns, nog meer Antarctische fauna, je kunt in vulkanisch verwarmd water zwemmen. Daarna wordt te midden van deze geweldige, door mensenhanden nauwelijke beroerde witte wereld, op een spiegelgladde blauwe zee, aan dek een barbecue verzorgd. Dat alles werd op een film vertoond. Zou ik met zo'n vakantie-expeditie mee willen, vroeg ik me af. Was ik een beetje jaloers? Nee. Dat kwam door de jekken die de poolreizigers van het reisbureau hadden gekregen: signaalrode unisexjekken van het model dat, meestal in het beige, bij ons in Holland door misleide gepensioneerden wordt gedragen. `U ziet er opeens jaren jonger uit, mevrouw, meneer!' Daar zaten ze op het achterdek, met uitzicht op de ijsbergen, in hun verjongend jek een spiesje geroosterd vlees te eten. Het was ze gegund, maar dit schouwspel gaf de grandeur van Antarctica plotseling iets onzegbaar treurigs.

Ik geef het toe: in zo'n rood sportjek in de buurt van de Zuidpool te barbecuen is iets anders dan met een SUV door de bossen en de beekjes te rossen, of in de stad de voetgangers te imponeren. Maar toch is er een vage overeenkomst. Ongevraagd maak je een buitenwereld ondergeschikt aan je eigen pleziertjes. Zo zijn we nu eenmaal op zijn tijd allemaal, maar toch zit in deze omdraaiing van de hiërarchie iets onzegbaar goedkoops.

Het was een gure morgen, aan het strand van Coney Island. Op een paar grote meeuwen na leek de vlakte verlaten. Het was dood tij. Daar lagen half in het water een paar bruine halve bollen. Het leek op afgedankte keukenspullen, pannen waar een spitse lange steel uitstak. Of de helm van een soldaat uit een ruimtevaartuig. Met mijn voet draaide ik er een om. Er zaten poten onder die begonnen te bewegen. De steel ging tastend van links naar rechts. De helm begon zich in te graven. Nog nooit had ik zoiets gezien.

Terug in de stad begon ik in de encyclopedie te zoeken. Het waren twee hoefijzerkrabben, bijgenaamd levende fossielen, omdat ze de laatste twee- tot driehonderd miljoen jaar niet zijn veranderd. Aan de Europese stranden komen ze niet voor. Op Coney Island is heel wat gebeurd, maar die krabben hebben het overleefd. Dit is, ondanks George W., de optimistische noot waarmee ik eindig.

    • S. Montag