De geur van de angst

Professor Baud verwijst in zijn rapport veelvuldig naar de verhalen die Frits Abrahams eind jaren zeventig als verslaggever voor de Volkskrant over Argentinië schreef. Hoe kijkt Abrahams zelf terug?

In mijn herinnering teruggaan naar het Argentinië van 1978, waar ik destijds als journalist een maand verbleef? Ik had er weinig behoefte aan, totdat ik het rapport-Baud zat te lezen waarin onder meer de rol van Jorge Zorreguieta wordt beschreven. Het is een interessant werkstuk, maar er ontbreekt iets dat moeilijk definieerbaar is, hoewel het bepalend was voor het Argentinië van toen.

Je zou het de geur van de angst kunnen noemen. Die hing overal, als je maar bereid was je ervoor open te stellen. Zorreguieta was dat duidelijk niet, daarom kon hij in zijn reactie op het rapport-Baud schrijven: ,,Ik was niet op de hoogte van de schendingen van de mensenrechten. Pas in 1984 werd bekend wat er gebeurd was.''

Zulke mensen kwam je daar wel vaker tegen. Meneer, zeiden ze, wij hebben wat problemen met linkse terroristen, waarom zoudt u zich daarmee willen bemoeien?

Ik zat er in maart en april 1978 als sportverslaggever van de Volkskrant. Die krant besteedde veel aandacht aan de situatie in Argentinië en de protesten ertegen in Nederland. De bedoeling was dat ik het wereldkampioenschap hockey zou gebruiken als gelegenheid om de politieke situatie te onderzoeken. Het wereldkampioenschap voetbal zou enkele maanden later volgen, en er was behoefte aan meer duidelijkheid.

De eerste insider die ik daar ontmoette, was een Nederlander. Hij heette Hendricks en hij was secretaris van de Kamer van Koophandel Argentinië-Nederland. Toen ik zijn kantoor in het centrum van Buenos Aires voor de eerste keer bezocht, ontplofte twee straten verder een bom. Het was de eerste bom die in mijn leven ontplofte, dus daar hoorde ik wel even van op. Hendricks niet.

Toen ik hem een week later interviewde, zei hij: ,,Ik zal niet zeggen dat er hier geen misstanden zijn, maar ik heb er nog nooit iets van gezien of gehoord, hoewel ik heus niet mijn kop in het zand steek. Ik ken zelfs heel veel Argentijnen intiem, maar niemand heeft me ooit verteld over bepaalde vervelende ervaringen.''

Achteraf staat vast dat de repressie in 1977 en 1978 op haar hoogtepunt was. De Zorreguieta's en de Hendricksen staken niet alleen hun kop, maar hun hele hebben en – vooral – houden in het zand.

Maar de kritische Argentijnen – hoe hielden zij zich? Dat verschilde nogal. Ik was nog het meest onder de indruk van een groepje jonge kunstenaars, die mij in het geheim ontvingen en openhartig vertelden over de arrestaties en verdwijningen in hun kring.

Pratend met hen besefte ik voor het eerst hoezeer er sprake was van een gecamoufleerde onderdrukking. In Chili was de terreur zichtbaar, in Argentinië nauwelijks. Op straat merkte je weinig – het bleef voor mij bij die ene bom. Er liep veel politie rond, en in de lobby van het journalistenhotel zat altijd een gezonnebrilde observator – maar dat was alles. Het enige openbare teken van verzet waren de demonstraties van de Dwaze Moeders op de Plaza de Mayo.

De gruwelen voltrokken zich achter een façade van geforceerde opgewektheid. Er was een crisis, maar de hele Argentijnse geschiedenis was één grote crisis, voegden veel Argentijnen er ontwijkend aan toe.

Die jonge kunstenaars waren nog weerbaar en energiek geweest, alle spanningen ten spijt. De angst was heftiger naarmate mensen meer te verliezen hadden. Ik had gehoord dat de joodse gemeenschap in Buenos Aires zich bedreigd voelde. Samen met een collega zocht ik enkele leiders op. Ze ontvingen ons met ostentatieve tegenzin. ,,Maar heren'', zeiden ze, ,,houdt u zich toch bij het hockey. En bovendien, zijn de meisjes niet prachtig hier?'' Ja, dat waren ze toen ook al.

Van één van die leiders was de 22-jarige zoon kort daarvoor van een ontvoering teruggekeerd. Zijn vader wilde er alleen maar dit over zeggen: ,,Meteen na de ontvoering had ik een gesprek met een minister. De man werd lijkbleek, hij pakte zijn jasje en begon meteen maatregelen te nemen. Drie dagen later werd mijn zoon vrijgelaten. De ontvoering was weliswaar een actie op regeringsniveau, maar zij werd weer afgekeurd door andere groeperingen in de regering.''

Drie jaar later – in 1981 – legde ik dit geval voor aan Jacobo Timerman, de voormalige joodse hoofdredacteur van de liberale krant La Opinión. Timerman was zelf twee jaar lang ontvoerd en gemarteld en na zijn vrijlating uitgeweken naar Israël.

Hij herinnerde zich hoe deze joodse leider hem had opgezocht in de gevangenis. ,,Ik vertelde hem dat ik zwaar gemarteld was. Hij zei: Zeg er geen woord over, tegen niemand, mijn zoon is ook gemarteld, maar ik zal er niet over praten.'' Timerman voegde eraan toe: ,,Mensen als hij zijn verlamd, ze weten niet wat te doen. Het enige wat je kunt doen, is terugvechten, maar dat betekent risico's nemen. Daartoe zijn er per definitie maar weinig bereid.''

Timerman schreef een indrukwekkend boek over zijn ervaringen: Prisoner Without a Name, Cell Without a Number. Het werd in 1981 gepubliceerd – drie jaar voordat Zorreguieta ,,op de hoogte raakte van de schendingen van de mensenrechten''.

Mijn bizarste ervaring had ik met Ernesto Sábato, toen na Borges de bekendste schrijver van Argentinië. Baud citeert in zijn rapport uit het interview dat ik met Sábato hield, en Zorreguieta verschuilt zich vervolgens weer achter dat citaat. Sábato zei namelijk tegen mij: ,,Ik word doodziek van die intellectuelen in Rome en Parijs die het geweld van de Montoneros verheerlijken.'' Zie je wel, reageert Zorreguieta tegen Baud, ook Sábato geloofde niet wat er in het buitenland over Argentinië werd beweerd.

Het is een doorzichtige poging van Zorreguieta om Sábato achteraf voor zijn karretje te spannen. Sábato moest niets hebben van de junta, maar hij was in dat interview de voorzichtigheid zelve. Ik had in mijn naïviteit gedacht dat hij als vooraanstaand intellectueel niet bevreesd hoefde te zijn. Enkele weken na dat interview kreeg ik een verontschuldigende brief van zijn vrouw. Haar man had ten tijde van ons gesprek ,,onder geweldige nerveuze spanning gestaan'' en zijn toestand was sindsdien alleen maar verergerd.

Ik had in dat geval de angst ontmoet zonder hem te ruiken

    • Frits Abrahams