COOL KIDS

Wat gebeurt er als je een groep kinderen uit een oude stadswijk een eenvoudig fotocameraatje in handen geeft en zegt: ga maar de straat op? Fotograaf Jan Henderik deed het in de Rotterdamse wijk Cool. Enkele chaotische fotolessen, honderden negatieven en vele uren in de donkere kamer later was een uniek document humain geboren.

De Rotterdamse schrijver / tv-maker Wilfried de Jong kroop vervolgens in het hoofd van een grotestadsjongetje en schreef een kort verhaal.

Gigg kon beter zijn mond houden. Hij stond op het plein in het hart van de wijk en luisterde. Terwijl de meisjes op de straatbanken de laatste videoclips doornamen, troefden de jongens elkaar af met snelle zinnen en grappen. Ze vertelden overdreven verhalen die niemand eigenlijk geloofde. En Gigg zeker niet. Of had Rocco werkelijk al vier keer in een sloopauto onder de rok van Bibi gezeten? Het leek Gigg sterk. Kiko beweerde in de nacht de luifel van de slager in brand te hebben gestoken. En wat blufte Raul laatst nog? O ja, dat hij eigenhandig bij Raisa een ringetje in haar navel had gepiercet. Haar vader, zo'n oude Turk met een snor, had haar volgens Raul 'blond en blauw' geslagen en het ringetje in één keer losgerukt. Ze bloedde als een rund, haar hele navel zat los. Niemand durfde de verhalen in twijfel te trekken, er ging met regelmaat een high five door de kring.

Gigg had geen verhaal. Hij stotterde zich door een paar zinnen heen en moest het afleggen tegen de meeste jongens. Zij droegen caps van de Wu Tang-Clan uit Amerika en probeerden de raps van die favoriete hiphoppers te imiteren. Thuis op zijn kamer waagde Gigg zich wel eens aan een nummertje freestylen als hij een bekend nummer op mtv hoorde. Het lukte nooit, hij struikelde over lange, ritmische frasen die aan elkaar gesmeed leken. Hij kreeg hooguit de laatste woorden van iedere zin over zijn lippen. Pitch... bitch. You know... blow no! Street... meat.

Wat moest Gigg tegen de jongens op het plein vertellen? Dat zijn moeder hele goede pom maakte, veel lekkerder dan die uitgedroogde stukjes vlees die je bij de toko op je broodje kreeg. Moest hij de foto meenemen waarop opa in Paramaribo met president Venetiaan stond? Op een middag wilde hij iets zeggen over de poes die een bont jonkie uit het nest bleef duwen. Gigg had het diertje 's nachts steenkoud en een beetje kromgetrokken in een hoek van de woonkamer gevonden. Moeder had het in een krant gerold en buiten op het balkon gelegd. De volgende dag zat de krant vol groene bromvliegen die met hun pootjes op de plekken stonden waar het vocht door het papier was gelekt.

Gigg stond op het plein en begon. 'Onze, eh... poes... die... kreeg gisteren kleintjes... en toen... eh... hij kreeg er zes... maar eentje die, eh...' De jongens schreeuwden door zijn verhaal heen. Raul schopte hem heel hard in zijn maag, midden in de zin waarin hij wilde vertellen over het dode katje.

'Hé, dierentuin, hou je muil, joh!'

Twee jongens hadden hem met de mouwen van zijn jack aan een lantarenpaal vastgebonden. Na die middag had Gigg een besluit genomen: die klootzakken zouden nooit meer een woord van hem horen. Niets. Helemaal niets meer.

Gigg mocht op het plein dan al weken zijn mond houden, van woorden hield hij wel. Hij droeg altijd viltstiften bij zich om mee te schrijven. Hij kocht ze bij De Schele, twee voor een rijksdaalder. Thuis maakte hij zijn eigen letters. Ze waren mooi breed en sober. Hij trok ze vaak over uit muziekbladen die hij van zijn oudere neef kreeg die deejay was en timbales in een bandje speelde. Hij tekende ook letters na van grote krantenkoppen. Zijn kamer lag bezaaid met velletjes vol letters. Zijn moeder was opgehouden het steeds maar weer op te ruimen en hem te straffen voor de puinhoop. Ook tegen zijn moeder praatte Gigg de laatste tijd maar mondjesmaat.

Maar alleen hij wist dat het tij zou keren. Zorgvuldig had hij een nacht uitgekozen. Eén ideale nacht zou alles veranderen. Ze zouden op het plein nog van hem horen.

Gigg nam de viltstift om tien uur mee naar bed. In het donker schroefde hij de dop los. Meteen rook hij de lekkere geur die van de harige punt kwam. Hij hield hem dicht bij zijn neus en snoof zich met een paar lange halen duizelig. Nog net voordat zijn oogleden te zwaar werden, schoof hij de dop over de stift.

Dwars door de wijk liep een drukke verkeersader met vier banen op een fly-over. Hoge hekken voorkwamen dat je vanuit de oude wijk de levensgevaarlijke weg over kon steken. Aan de andere kant lag het zakencentrum. 'Over de weg' kon je mooie kleding kopen, stonden dure wagens dubbel geparkeerd en legden wolkenkrabbers een slagschaduw over de straten.

Nog een keer ging Gigg met zijn handen langs zijn kleding. Hij trok de riem van zijn oversized spijkerbroek - die alle Surinaamse jongens uit de buurt droegen - nog een gaatje strakker en ritste zijn jack hoog dicht. Hij peuterde de veters van zijn gloednieuwe gymschoenen los en maakte ze opnieuw vast, met een extra knoop op de wreef. Hij voelde in zijn steekzakken. Een paar guldens, een Leatherman, kauwgom en twee gifgroene viltstiften.

Met de punten van zijn gymschoenen kon Gigg maar net in de mazen van het hekwerk dat tegen de pilaren van de drukke fly-over was geplaatst. Het was zeker vijf meter hoog. Met zijn handen pakte hij de vangrail en trok zich op de vluchtstrook. Alle bestuurders vingen Gigg in het licht van hun koplampen, het toeteren leek net één langgerekte toon. Het was elf uur op de zaterdagavond en heel druk. Even ontstond er ruimte tussen twee auto's. Hij zette een korte sprint in, de overkant was vier rijbanen verder. Bij de derde en vierde moest hij inhouden. Een vrachtwagen seinde met groot licht en raasde vlak voor zijn voeten langs. Gigg schrok en bleef stokstijf op de onderbroken streep staan. Hij kon niets anders doen dan hopen. Voor en achter hem stoven de wagens op hem af. Hij viel bijna om door de zuigkracht van de auto's. Het losse grint spatte op in zijn gezicht. Met dichtgeknepen ogen stond hij tussen de rijstroken in. Hij zag een gaatje, schoot tussen twee wagens door, klom aan de overkant van de weg af en gleed via het hek naar beneden.

Gigg stond op een braakliggend terrein. Voor hem doemden de hoge gebouwen op, kantoren, winkels en appartementencomplexen. Aan de rand, niet ver van de weg die Gigg net was overgestoken, stond een gloednieuw hotel. Vanuit zijn kamer had Gigg gezien hoe het hotel om de week een etage hoger werd. Op iedere verdieping plaatsten ze een vierkant bord met een nummer. Als hij op zijn bed lag en door het raam keek las hij 39, 40, 41, 42, 43, 44. Vierenveertig verdiepingen.

Gigg liep op het nieuwe hotel af. De stoep rondom de entree was nog niet eens af. Grote zandhopen lagen links en rechts tegen de pui aan. Hij keek naar boven en zag dat nog lang niet alle kamers bezet wa- ren. Hier en daar had een gast een lamp ontstoken of de gordijnen dichtgetrokken. Het was net een week open.

Het hotel zag eruit als één groot klimrek. Stalen dwarsbalken lagen aan de oppervlakte, ze staken zelfs een beetje uit. De ramen sprongen juist weer in. Bovendien werd het gebouw na iedere vier etages smaller.

Gigg klom aan de achterkant op een container en kon met zijn handen bij de richel van de eerste verdieping. Hij trok zich makkelijk omhoog en stond op de rand voor het raam. Daar paste zijn gymschoen precies op. Nu moest hij zijn hoofd in zijn nek leggen en met gestrekte armen de volgende richel net boven het raam zien te pakken. Even steunde hij alleen op zijn onderarmen en bungelden zijn benen in het luchtledige, hij trok zich weer op en met een zwaai kwam hij op de tweede etage terecht.

Op de tiende etage rustte Gigg even uit, hij ging voorzichtig op zijn hurken zitten en leunde met zijn rug tegen de ruit van een donkere hotelkamer. Hij zag een tweepersoonsbed met twee stukjes zeep op gestreken kussens. Een bordje boven de deur met 'uit' erop zorgde voor groen licht op zijn gezicht. Gigg zag zichzelf in de spiegeling van de ruit.

Hij knakte zijn vingers door ze in elkaar te schuiven en door te buigen. De betonnen randen hadden zijn handpalmen al ruw gemaakt. Hij stond weer op, pakte de volgende rand en trok zich omhoog. Terwijl hij klom zag hij de gezichten van de jongens en meisjes op het plein voor zich. In gedachten praatte hij tegen hen.

'Wat staan jullie daar nou. Met die stomme kraaltjes in je dreadlocks. En noem jij dat balletje hooghouden, Abdel? Tien keer, dat is niks. Ik haal twintig met een tennisbal.'

Hij kreeg de slag van het klimmen lekker te pakken. Naar beneden keek Gigg maar niet. Nooit naar beneden kijken als je klimt.

'Ben jij verliefd, Shaquille? Je durft niet te zeggen op wie, hè? Ik weet het. Ik zag jou laatst zoenen in het portiek van het buurthuis. Met Dennis. Dat waren jullie, wedden?'

Omdat de gevel van het hotel insprong, kon hij goed beoordelen hoe ver hij was. Bijna op de helft, zo te zien. Hij hield stil bij een raam. Het gordijn stond half open. Op bed lag een hotelgast in T-shirt en onderbroek. De man dronk uit een blikje bier en tikte met de andere hand onophoudelijk op de afstandsbediening. Hij hield af en toe stil bij een muziekkanaal. Gigg zag Debby zingen. Debby met haar stomme Nederlandse plaatjes. Stom kind. De man zag hem niet, Gigg trok zijn broek omhoog en klom behoedzaam verder.

De zinnen van het plein gonsden weer in zijn hoofd.

'Kan ik een gulden van je lenen. Ik kom net wat te kort voor de koffieshop. Hoe oud ben jij? Wat! Twaalf? Je mag pas blowen als je veertien bent.'

Hij was de tel kwijtgeraakt. Hoeveel verdiepingen had hij geklommen? Dertig? Hij tuurde voorzichtig omhoog. Het gebouw was nauwelijks verlicht. Hij schatte: nog een stuk of tien etages. Voor het eerst keek Gigg toch naar beneden. Impulsief drukte hij zich tegen de gevel. Jezus, dit was hoog. Heel hoog. Hij schrok van de kleine auto's onder zich. Zou iemand hem gezien hebben?

Nog vier verdiepingen. Losse velletjes huid hingen aan zijn handen, zijn ellebogen voelden beurs aan, ze zaten vol krassen van de scherpe randen van de gevel. Gigg moest weer even uitrusten. Hij duwde zich tegen een raam en zag een donkere vrouw in lingerie op bed. Naast haar lag een veel oudere man met zijn pak aan, de broekriem en het overhemd los. Ze streelde met haar vingers door zijn haar dat in het spaarzame licht een onnatuurlijke, rode kleur had. De man sloeg de hand weg, de vrouw trok een boos gezicht. Ze pakte de man bij zijn haar en trok het in één ruk los. Gigg zag de kale kop van de man die overeind veerde en in de ogen van de jongen achter het raam keek. Gigg trok zich snel op aan de rand en klom door naar de laatste verdiepingen.

Beneden stonden inmiddels vier politiewagens met zwaailichten. Gigg was bijna boven. Op de laatste etage was nog een losse verdieping gezet in de vorm van een ronddraaiend restaurant. Terwijl ze aten, keken de hotelgasten uit over de stad. De laatste stap naar de hoogste plek was eigenlijk makkelijk; de gevel sprong hier een paar meter in. Gigg deed een grote pas naar voren en ging op de rand van het restaurant staan. Acht Japanners aan een lange tafel schrokken zich dood. Gigg zwaaide triomfantelijk naar de gasten die met dessertlepels naar de zwarte jongen wezen.

Hij had geen tijd te verliezen en greep naar de lichtgevende viltstiften in zijn achterzak. Gigg had al een paar keer geoefend op muren in de wijk. Iedereen op het plein had zijn eigen piece.

Terwijl obers totaal overstuur met hun neus tegen het glas stonden en wild gebaarden, trok Gigg de dop van een stift. Hij rook eraan, sloot even zijn ogen en beet zijn kaken op elkaar. Met woeste streken schreef hij op het glas, dwars over de gezichten van alle toegestroomde mensen heen. Het restaurant bleef maar draaien en Gigg schreef en schreef, steeds weer dezelfde woorden; ze vloeiden in razend tempo uit de stift. Een Japanner greep zijn weggooicamera met flits en schoot een foto door de groen oplichtende tekst heen. Gigg werd verblind en greep zich vast aan de sponning, de stift viel uit zijn hand en vloog naar beneden. Hij zag alleen een vlek voor zijn ogen en bewoog niet.

Een paar handen grepen hem bij zijn jas en trokken hem met een harde ruk naar binnen. Gigg zag nagenoeg niets. Hij rook gebakken vis en een scherpe kaassaus. Hij hoorde zware bassen schreeuwen, ze sjorden aan zijn armen die achter zijn rug vast kwamen te zitten. Pas in de lift naar beneden kon hij iedereen weer zien.

Vanuit zijn slaapkamer hoorde Gigg de bel gaan. Zijn moeder deed open. Hij herkende de stemmen van het plein. Kiko, Dennis, de giechel van Nevin. Ricky remde op zijn inline-skates.

Of Gigg buiten kwam spelen? Ze wilden hem spreken, hij was gisteravond toch weer vrijgelaten?

Moeder hield voet bij stuk. Nee. Haar jongen bleef voorlopig thuis.

Gigg ging op zijn bed liggen. Vanaf het kussen keek hij naar rechts, door het open raam. In de verte draaide het restaurant een rondje boven op het hotel. Hij kreeg een brede grijns op zijn gezicht.

Gigg was here. M

Jan Henderik is freelance fotograaf. Zijn werk verscheen o.a. in Avenue en Zoom.

Wilfried de Jong is schrijver, journalist en televisiemaker. Zijn verhalenbundel 'Aal' verscheen eind vorig jaar bij uitgeverij Podium.

    • Wilfried de Jong