BLINDE ZIEND

De wetenschapsbijlage van 10 maart doet onder de titel `Blinde ziend' verslag van een grootscheeps experiment dat op twee plaatsen (Japan en de VS) wordt uitgevoerd. In de enorme, honderden tonnen wegende detectoren laat men bepaalde subatomaire deeltjes op elkaar botsen en registreert men de gevolgen van die botsingen.

Deze kostbare onderneming is opgezet om heel fundamentele ideeën over ontstaan en aard van de materie te toetsen. Ik beken zonder schaamte dat ik de strekking van die ideeën slechts zeer ten dele bevatten kan.

Er zijn nu zo'n dertig miljoen van dergelijke botsingen geanalyseerd. Duizend daarvan kunnen gezien worden als een bevestiging van genoemde ideeën. Bij een aantal van die duizend echter is het verschil met het normale beeld zo gering dat je ze evengoed kunt beschouwen als een te verwaarlozen afwijking. Daarmee komt een subjectief element in het spel. Immers het is zeer wel denkbaar dat een groot voorstander van die ideeën eerder geneigd zal zijn zo'n geval als positief te scoren dan een neutrale waarnemer, laat staan iemand die zulke ideeën bestrijdt.

Vandaar dat één der onderzoekers in kwestie met het verstandige voorstel kwam analyses blind uit te voeren. Dat stuitte echter op grote weerstand bij zijn collega's. Pas na heftige discussies en lang soebatten wist hij zijn zin te krijgen.

Dit nu heeft mij hogelijk verbaasd. In de veel gesmade sociale wetenschappen is een dergelijke gang van zaken al jarenlang vanzelfsprekend. Wanneer het gaat om het scoren van gegevens die bepalend zijn voor de waarde of onwaarde van een theorie, dient dat te gebeuren door twee onafhankelijk van elkaar werkende beoordelaars, die bovendien geen van beiden weten welke theorie in het geding is. Ik zeg niet dat zulks in alle gevallen ook correct zo gebeurt, dat weet ik eenvoudig niet. Maar geen zichzelf respecterende beoefenaar van die vakken zal die procedure ongewoon vinden, laat staan aanvechten.

Vanwaar dit verschil? Zit hem dat in de aard van de natuurwetenschappen? Of in de aard van hun beoefenaren? Zijn zij misschien – ik vraag maar – `too damned sure of themselves'?

    • André J.F. Köbben