Bij ons in de Jordaan

Jacques Klöters leidde gisteravond een ode aan het Jordaan-lied, maar volgens zijn nieuwe bundel Bij ons in de Jordaan heeft het zingen van dit repertoire `niets meer met de werkelijkheid te maken.'

Driehonderd bezoekers zongen en deinden gisteravond in de bankjes van de Nassaukerk in Amsterdam mee met het aloude Bij ons in de Jordaan, de titel van de liederenbundel die daar ten doop werd gehouden. Maar ze bleken lang niet allemaal meer in de bezongen wijk te wonen. Slechts enkele tientallen staken de vinger op, toen bloemlezer Jacques Klöters ernaar vroeg. En niet meer dan een stuk of vijf van hen werden er ook geboren. De mythe is losgezongen van de werkelijkheid.

,,Wie nu nog Jordaan-liedjes zingt,'' schrijft Klöters dan ook in zijn voorwoord, ,,zingt liedjes met derdehands ideeën en grijpt terug naar een tijd die onze ouders ook maar van horen zeggen hebben en die niets meer met de werkelijkheid te maken heeft.'' De sterren die nu nog uit de Jordaan komen, zoals René Froger, zingen immers liever over relatieproblemen en laten zich begeleiden door popmuziek.

Van zulke reserves was gisteravond echter niets te merken. De 76-jarige Rika Jansen, die als Zwarte Riek furore maakte met het navrante Me wiegie was een stijfselkissie, en de 80-jarige Harry de Groot, die veel liedjes voor Johnny Jordaan schreef, kregen alle ruimte voor hun kleurrijke nostalgie. Op de vraag wat ze zich van haar meisjesjaren herinnerde, antwoordde Rika Jansen dat het `armoe en ellende' was geweest. ,,Toen waren we nog te jong om het gezellig te vinden,'' voegde ze eraan toe. Niettemin veerde ook zij, nog nagenietend, op bij de herinneringen aan volle bedsteden, het draaiorgel op straat, het dorpsgevoel en de bijbehorende saamhorigheid.

Als eerste heeft de amusementshistoricus Klöters getraceerd waar de oorsprong ligt van het Jordaan-lied voor het grote publiek. Hij wijst op een olijk duet dat in 1897 in de revue Luilekkerland werd vertolkt door de actrice Geertruida Meeuwissen en de acteur Jan Grootveld. Uitgedost als twee volkstypes bezongen zij een figuur uit de Jordaan: ,,Dat's onze Puckie / dat's onze Pietje Puck / hij lust geen klare en dat's z'n ongeluk!'' Veel diepgang had het nummer niet, maar het legde de basis voor een traditie die in de loop van de afgelopen eeuw door talloze liedjesmakers en artiesten is uitgebouwd.

De laatste grote opleving dateert uit de jaren vijftig, toen Johnny Jordaan op het toppunt van zijn roem stond. ,,Hij heb ons, de Jordanezen, op een voetstuk gezet,'' zei de Jordaan-propagandist Henny Pastor gisteravond. ,,Johnny is een geschenk van Onze Lieve Heer; door hem hebben we een eergevoel gekregen.'' In zijn bundel verklaart Klöters dat die Jordaan-rage niet alleen samenviel met de dreigende af- en doorbraak van de wijk, maar ook met de opkomst van de rock & roll. De beroemde liedjes uit die tijd werden geschreven door oude vaklieden die spoedig door jongeren zouden worden verdrongen. Zo bezien was het ,,een geweldige, laatste, winnende slag van de gevestigde generatie,'' aldus Klöters.

Intussen klonken het oude belcanto en de vertrouwde driekwartsmaat tijdens het samenzijn in de Nassaukerk, net buiten de Jordaan, weer alsof er nooit iets is veranderd. Harry de Groot maakte zelfs korte metten met Klöters' suggestie dat nummers als Bij ons in de Jordaan – geschreven in 1954 – destijds al verwezen naar een wereld die niet meer bestond. ,,Nee hoor,'' antwoordde hij, ,,'t was realiteit.'' Zo waar is het Jordaan-lied dus nog gebleven voor degenen die hardnekkig blijven vasthouden aan het vroegere Jordaan-gevoel. Mensen als Henny Pastor, die met succes actie voerde voor de inrichting van een Johnny Jordaan-plein. Dagelijks staan daar bezoekers in gedachten verzonken bij het borstbeeld, zei hij, en soms knielen ze er ook bij.

Jacques Klöters: Bij ons in de Jordaan. Nijgh & Van Ditmar, ƒ25.

    • Henk van Gelder