BEHANDELINGSKEUZE PROSTAATPATIËNT MAAKT VOOR WELZIJN NIETS UIT

De ontdekking dat iemand prostaatkanker heeft, heeft aanzienlijke gevolgen voor de kwaliteit van leven. Die gevolgen zijn voor patiënten die geopereerd zijn ongeveer even groot als voor patiënten die zijn bestraald. Een operatie heeft weliswaar andere effecten op het welbevinden van de patiënt dan een bestraling, maar als alle aspecten van de kwaliteit van leven worden meegenomen, zijn de verschillen klein. Ook maakt het, zolang de tumor maar vroeg is gevonden, geen verschil of deze ontdekt is in het kader van een bevolkingsonderzoek of via een bezoek aan de dokter naar aanleiding van klachten. Dat blijkt uit een onderzoek van de afdelingen Maatschappelijke Gezondheidszorg en Urologie van het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam in vier ziekenhuizen in de Maasstad (Journal of Clinical Oncology, 15 maart).

De 278 deelnemers hebben kort na de diagnose – maar nog vóór de behandeling – alsook zes en twaalf maanden later, een vragenlijst ingevuld met vragen over hun kwaliteit van leven. Met `kwaliteit van leven' wordt het functioneren van de patiënt in fysiek, psychisch en sociaal opzicht bedoeld. Significante verschillen tussen beide groepen patiënten komen pas een jaar na de diagnose naar voren. Zo ervaren mannen die bestraald zijn dan in het algemeen wat meer beperkingen als gevolg van lichamelijke en emotionele problemen. Op een schaal van honderd geven zij 72 punten voor hun lichamelijke gezondheid en 83 voor hun emotionele wel en wee. Geopereerde patiënten komen uit op 89, respectievelijk 93 punten. In dat licht is het opvallend dat de mannen uit de laatste groep drie tot vier keer zo vaak problemen met het ophouden van hun plas hebben. Ook melden zij twee keer zo vaak problemen met de potentie als de mannen die bestraald zijn. Die hebben op hun beurt weer aanzienlijk vaker last van darmklachten.

De onderzoekers concluderen dan ook dat er op basis van dit onderzoek geen duidelijke voorkeur voor een van de standaardbehandelingen is vast te stellen. Elke behandeling heeft zijn voor en zijn tegen, waar een patiënt voor zichzelf een keuze in moet maken. Daarvoor is vooral goed informatiemateriaal nodig waarin de mogelijke consequenties van de behandelingen open en eerlijk worden beschreven, vinden de onderzoekers.

Het nu gerapporteerde onderzoek is onderdeel van een veel groter Europees project om na te gaan of het zin heeft om alle mannen tussen de 55 en 70 jaar op prostaatkanker te screenen. Daarvoor is bij wijze van proef een beperkt bevolkingsonderzoek opgezet. Momenteel zijn de onderzoekers bezig om de langetermijneffecten daarvan te onderzoeken. Daarbij letten zij vooral op de kwaliteit van leven en op de vraag of het screeningsprogramma tot een afname van de sterfte leidt. De uitkomsten hiervan worden niet voor 2005 verwacht.

    • Huup Dassen