16 HORSEPOWER

Het begint met een eenzame accordeon, nog te zacht voor het gehoor om de melodie op te vangen, in handen van zanger en multi-instrumentalist David Eugene Edwards.

Ik bevind me in een woest, leeg landschap van zwartgrijze bergen en rode, gebarsten aarde, hier en daar onderbroken door grillig uitstekende, dode stronken en struiken. Er staat iets groots te gebeuren.

Een zwart puntje, onbeduidend klein, verschijnt aan de horizon. Van opdoemen is geen sprake, bepaald niet. Het geluid zwelt aan, uitermate beheerst. Het intrigeert en houdt me in een greep. Het puntje wordt groter, komt dichterbij, steeds dichterbij - een mythisch dier?

De melodie, opstuwend, galopperend, is nu duidelijk te horen. Het mythische dier blijkt een gevleugeld, ivoorwit paard, bereden door niemand minder dan de zanger Edwards zelf. Zijn stem komt van diep, een door oprechte ontroering overslaande stem vol christelijke symboliek. Mijn naam is Carol Sue, blijkt. Lovely lovely Carol Sue/ I see the heel of the father/ crush the head of the serpent for you, zingt hij mij toe, nu vergezeld van gitaren, drums en violen, alles in een rustig tempo en crescendo.

Ik weet: deze ruiter zal me meenemen. Hij zal me bevrijden uit deze woeste leegte waarnaar ik verbannen ben. Ik ben er ingeluisd, verdomme! Ik ben verleid! Meer dan dat weet ik niet. Yet all the while 'neath/ his banner you did stand/ 'neath the shadow of his wing/ do you remember? Ik weet het weer en voel me zwak en schuldig. Het mythische dier, met de zingende evangelist op de rug, schiet op me af. Donkere opeengepakte wolken jagen over ons heen. De struiken en stronken vliegen plotseling in brand. Alles draait, tuimelt, woelt, valt. He'll come a cinder/ fire call the kettle black/ the dark can only hinder it/ it will not hold you back/ nor tear you asunder. Triomfantelijk huilt een elektrische gitaar, als een moeder, hoog en in één adem samen met - hoeveel violen? Talloze violen, die de accordeon, de einzelgänger onder de muziekinstrumenten, overstemmen. De zanger, terwijl hij zijn hand uitsteekt om mij mee te nemen, mij te verlossen, zonder snelheid te minderen, schreeuwt het uit: een pijl die de donkere lucht ingaat en in het midden van de hemel ontploft in duizenden sterren. Nu klinken overal bekkens als bliksems. Terwijl we opstijgen wordt me uitgelegd: And the good shepherd/ lo he left all the others/ an' went to look for you/ yes an' he did find thee/ an' with bruised hands/ he did unbind thee/ brought you out/ into the light of day. Nu voel ik me nog schuldiger dan ik al was. Maar dan verschijnt gelukkig de accordeon, hand in hand met een klagend viooltje, hartverscheurend bijna. Terug naar de stilte nu, naar boven de wolken waar het licht is.

Vergeef me mijn bravoure. Nee, doe toch maar niet. Ook muziek is verbeelding, weet ik nu. Ik heb het hier over Cinder Alley, een perfect gecomponeerd nummer van de band die 16 Horsepower heet. Het is te horen op hun laatste album Secret South, een mengeling van blues, folk, punk, gothic en country. Maar laten we het alternatieve folk noemen. De opbouw van Cinder Alley is geweldig, voor mij misschien wel de mooiste manier om iets groots te scheppen. Het mag als dé muzikale metafoor gelden voor de schepping van het alles, het universum. Alles begint weliswaar uit niets, maar is dat 'alles' het resultaat van een razende scheppingswoede, een explosie van energie, kleur en/of geluid? Of is het een beheerst, zichzelf opbouwend en tegelijkertijd zichzelf versplinterend systeem van myriaden elementen en eenheden? Het kan natuurlijk beide, maar ik prefereer het laatste, zoals ik vakmanschap hoger stel dan talent.

In zijn teksten zingt Edwards over uitgesproken bijbelse thema's als verdoeming en verlossing, te vergelijken met Nick Cave, voor wie de band grote bewondering heeft. Ze roepen beelden op van verloren zielen in wazige, surreële landschappen waar de strijd tussen God en Satan voor altijd woedt. Je proeft het christelijk schuldgevoel. Maar 16 Horsepower is mooier en vertroostender, vind ik, dan de depressieve Cave. Edwards heeft godzijdank ook niets van die gospelrockzangers wier muziek slechts als etalage dient voor de stichtelijke boodschap, van die pseudo-muzikanten die men weleens op de eo-jongerendag ziet. Edwards is de enige scout Gods - zoals hij zichzelf ziet - naar wie ik al te graag luister.

Ik zag de band voor het eerst op Pinkpop 2000, althans de verslaggeving daarvan op televisie. Wat mij in Cinder Alley direct gekluisterd hield, was de stilte vanwaaruit de eenzame accordeon aanzwol en de ijle, zeurende stem van de zanger iets later, uitlopend in een climax van geluid. Voor mij was het optreden van deze band met dít liedje het indrukwekkendste van het festival.

Ik koop zelden een cd, maar de dag erop ben ik meteen naar de cd-winkel gespurt, heb het album gekocht en Cinder Alley opgezet. Ik vond het prachtig, maar de aanloop naar de climax was korter en de accordeon was vervangen door een aardige viool, dat wel, maar lang niet zo intrigerend als die eenzame accordeon die mij op televisie zo direct had geboeid. M

Said El Hadji is schrijver. Zijn debuut De dagen van Sjaitan verscheen vorig jaar bij uitgeverij Vassallucci.

Cinder Alley staat op de cd Secret South van 16 Horsepower, uitgebracht door Glitterhouse Records.

Illustratie Jan Wolfs