Viervoeters van vlees en bloed

De brede verontwaardiging over het MKZ-drama dat zich momenteel in de veehouderij voltrekt, maakt de boodschap van de filosoof Peter Singer brandend actueel. Volgens Singer mag de morele horizon van de mens zich niet langer beperken tot de leden van de eigen soort. Na Darwin is er geen reden meer om de mens zo ver boven het dier te plaatsen.

De Nederlandse politiek mag de Oranjes dankbaar zijn. Als gevolg van hun escapades krijgen onze politici tenminste van tijd tot tijd te kampen met problemen, die zij tot bijna ieders tevredenheid kunnen oplossen. Hoe `precair' en `gevoelig' het voorgenomen huwelijk van de kroonprins ook mag liggen, als probleem is het van een zeldzame overzichtelijkheid. Geen wonder dat dit bescheiden koningsdrama al na het eerste bedrijf een happy ending heeft kunnen krijgen.

Veel kleiner is de kans daarop bij het andere drama dat de Nederlandse politiek dezer dagen in de greep houdt: het drama dat zich voltrekt in de veehouderij. Het struikelblok bestaat er dan ook niet uit een weerspannige schoonvader, maar uit een schier onontwarbare kluwen van afschuwelijke ziektes, Europese regelgeving, economische belangen en een toenemende afkeer bij het publiek van de intensieve, fabrieksmatige veeteelt.

Simpele oplossingen zijn hier slechts voorhanden wanneer het probleem wordt gereduceerd tot een morele kwestie. Iemand die dat al jaren geleden heeft gedaan, zonder zich druk te hoeven maken over BSE of MKZ, is de van origine Australische filosoof Peter Singer, nu hoogleraar bio-ethiek te Princeton. In zijn bestseller Animal Liberation (1975), waarvan delen zijn herdrukt in de recent verschenen verzamelbundel Writings on an ethical life, doet hij zijn lezers een remedie aan de hand die, mits algemeen toegepast, in één klap alle ellende in de bedrijfstak uit de wereld zou helpen.

Of Singers remedie ook in Den Haag, laat staan in Brussel, op veel bijval zal mogen rekenen, is een andere zaak. Want op morele gronden bepleit Singer dat we op moeten houden met vlees te eten. Vegetarisme is zijn panacee, die een eind zal maken aan alle nadelen van de intensieve veeteelt, omdat zij aan alle veeteelt een eind zal maken. Erg realistisch klinkt het vooralsnog niet, maar Singer weet zijn morele eis met kracht van redelijke argumenten te verdedigen.

Filosofie, zo betoogt hij met een beroep op Socrates, heeft tot taak de gevestigde ideeën en vooroordelen van een samenleving ter discussie te stellen. En dat is precies wat hij doet door de morele rechtvaardiging van onze gangbare houding ten opzichte van dieren in twijfel te trekken. Die houding getuigt namelijk van wat hij met een aan de Britse psycholoog Richard Ryder ontleende term speciesism noemt: de ideologie die ervan uitgaat dat onze morele horizon zich beperkt tot de leden van onze eigen soort.

Net als racisme of seksisme ontbeert dit `speciesisme' elke morele rechtvaardiging, meent Singer. Het berust op een vooroordeel. Een zeer oud en zeer hardnekkig vooroordeel weliswaar, dat in het Oude Testament, in het Griekse denken, in het christendom en in de moderne filosofie zijn bevestiging vindt, maar dat daarom niet minder verstoken is van een redelijke grond. Zeker sinds Darwin is er geen enkele reden meer om de mens zozeer boven het dier te plaatsen als het speciesisme doet. En daarom is er evenmin een geldige reden om dieren de morele gelijkheid te ontzeggen, waarop mensen aanspraak menen te kunnen maken.

Singer bepleit derhalve gelijke rechten voor het dier. Dat wil niet zeggen dat mens en dier de facto gelijk zijn, ook mensen onderling zijn dat niet, maar gelijkheid wil in dit geval zeggen dat dieren er recht op hebben dat met hun belangen evenzeer rekening wordt gehouden als met die van mensen. Belangen vloeien voort uit het vermogen tot pijn en genot dat mens en dier gemeenschappelijk hebben. Met de achttiende-eeuwse utilitarist Jeremy Bentham is Singer van mening dat het voor de gelijkheid niet van belang is of dieren kunnen `denken' of `praten', maar alleen of ze kunnen `lijden'.

Uiteraard is Singer het niet eens met Descartes, voor wie dieren een soort automaten waren, zonder bewustzijn en zonder gevoel. De vaak zeer pijnlijke dierproeven die door Descartes' visie werden gelegitimeerd, brachten juist aan het licht dat met name zoogdieren over eenzelfde type zenuwstelsel beschikken als mensen en dus wel degelijk pijn kunnen voelen. Er is dan ook geen enkele reden om ze, in navolging van Kant, slechts als `middelen' voor menselijke doelen te beschouwen. Alle misstanden in de huidige industriële veeteelt, waar het dierlijk welzijn volstrekt ondergeschikt wordt gemaakt aan het menselijk verlangen naar productie en winst, zijn in feite een gevolg van deze opvatting.

Speciesisme is voor Singer zoiets als een vrijbrief om dieren in de bio-industrie als dingen te behandelen, alsof het verbod op wreedheid in hun geval niet zou gelden. Over de morele ontoelaatbaarheid van wreedheid kent Singer geen enkele twijfel. Anders ligt dat bij de vraag of het ook in alle gevallen ontoelaatbaar is dieren te doden. Volgens hem is dat niet altijd onacceptabel, net zoals het in bepaalde gevallen ook gerechtvaardigd is om mensen te doden.

Singer is bijvoorbeeld een voorstander van abortus en euthanasie, zij het onder strikte condities. De principiële onschendbaarheid van het menselijk leven berust in zijn visie op een onredelijk, veelal religieus vooroordeel. Zo heeft hij er geen bezwaar tegen wanneer het leven van baby's met een ongeneeslijke hersenafwijking wordt beëindigd, nadat artsen en ouders daartoe hebben besloten. Het criterium kan alleen nooit zijn of iemand al dan niet tot de menselijke soort behoort.

In de praktijk heeft deze opvatting tot veel misverstanden geleid. In Duitsland en Oostenrijk is Singer aangevallen als iemand die net zo over euthanasie zou denken als de nazi's. Gehandicapten zijn tegen hem in het geweer gekomen omdat zij ten onrechte meenden dat hij hun het recht op leven zou willen ontzeggen. Zoals wel vaker in morele kwesties maakte de vergelijking met het Derde Rijk elke redelijke discussie bij voorbaat onmogelijk.

Ook de tegenstanders van intensieve veeteelt en bio-industrie grijpen soms naar dit wapen, zoals vorig jaar in Nederland Robert Long, die het lot van de varkens vergeleek met dat van de joden in een Duits concentratiekamp. Singer is er, wellicht door eigen ervaring wijs geworden, voorzichtiger mee. In de herziene editie van Animal Liberation (1990) citeert hij alleen de directeur van de dierentuin in Frankfurt, die de onwil van de mensen om kennis te nemen van de mishandeling en uitbuiting van dieren in de bio-industrie vergelijkt met de houding van de Duitsers tussen 1933 en 1945 ten opzichte van de jodenvervolging.

Minder behoedzaam is de Zuidafrikaanse schrijver J.M. Coetzee in The Lives of Animals (1999). Hij ziet er geen been in om zijn hoofdpersoon, de schrijfster Elisabeth Costello, de behandeling van runderen, varkens en pluimvee gelijk te laten stellen met de holocaust. Dat gebeurt alleen wel op een geraffineerde manier, zoals te verwachten viel bij een schrijver van Coetzees kaliber. De stellige opvattingen van Elisabeth Costello worden voortdurend gerelativeerd door de sceptische of verontwaardigde reacties van haar zoon en schoondochter. Op het eind zegt Elisabeth wanhopig tegen deze zoon dat zij soms de indruk heeft gek te zijn, omdat zij blijkbaar als enige niet in staat is zich bij deze `crime of stupefying proportions' neer te leggen. Het gevolg is dat je onwillekeurig even denkt: misschien zijn het toch de anderen die niet goed bij hun hoofd zijn.

Coetzee probeert de lezer even subtiel als ongegeneerd op het gemoed te werken, Singer beperkt zich tot rationele argumenten. Niettemin komen beiden met dezelfde remedie: vegetarisme. Weliswaar laat Singer enige twijfel bestaan over de eventuele toelaatbaarheid van het doden van dieren, maar in de praktijk legt dat nauwelijks gewicht in de schaal, aangezien de wreedheid tegen dieren in de bio-industrie op zichzelf voldoende is om de keuze voor het vegetarisme tot een morele noodzaak te maken. Wie het dierenleed werkelijk wil verminderen, moet ophouden dieren te eten, vindt Singer, al was het maar omdat een afname van de vraag vanzelf ook het aanbod zal doen afnemen.

Dit laatste is tekenend voor Singers pragmatische aanpak. Terwijl Coetzee's Elisabeth Costello vegetariër is geworden om, zoals zij het uitdrukt, haar `ziel te redden', is Singer er allereerst op uit daadwerkelijk iets te doen tegen het lijden van de dieren. Zijn vegetarisme is een vorm van `praktische ethiek', om de titel van een van zijn boeken te citeren. Hetzelfde geldt voor zijn pleidooi voor dierenrechten. Het gaat hem niet om de juridische finesses, waar allerlei formele bezwaren tegen in zijn te brengen, maar om de reële effectiviteit. `De taal van de rechten is een handig politiek steno', lezen we in Animal Liberation.

Toch lijkt het morele idealisme van Singer mij een stuk groter dan dat van Coetzee. De desperate ondertoon en het gevoel voor tragiek, in Coetzees romans nooit afwezig, zijn bij hem niet te bespeuren. Singer meent juist de zin van het leven gevonden te hebben in de actieve strijd tegen lijden en onrecht. Wat dat betreft blijft hij, in weerwil van zijn verzet tegen het speciesisme, een echte humanist, zij het dan een humanist die de grenzen van het humane dusdanig heeft verlegd dat ook alle voelende dieren erbinnen vallen. Voor hem behoort het tot de natuur van de mens om zich door middel van de rede te verheffen boven het strikte eigenbelang en een universele moraal tot gedragslijn te kiezen.

In een van de stukken in Writings on an ethical life citeert hij met kennelijke instemming de Zweedse econoom en socioloog Gunnar Myrdal, die de aantrekkingskracht van universele waarden relateert aan het verdwijnen van de oude plaatsgebonden tradities. Hoe minder houvast de gewoonten van het verleden bieden, des te meer zal men geneigd zijn naar ethische consistentie te streven, iets wat de uitbreiding van de morele horizon alleen maar ten goede komt, omdat er inderdaad geen redelijke gronden aanwezig zijn om op enigerlei wijze verwante buitenstaanders daarvan uit te sluiten. Bij Myrdal blijft die uitbreiding beperkt tot de menselijke soort, bij Singer strekt zij zich uit tot alle dieren die – net als de mens – tot gevoel in staat zijn.

Het succes van dit rationele universalisme staat dus in een direct verband met de verminderde betekenis van de concrete, traditionele verhoudingen waarin mensen (en dieren) plachten te leven. In dezelfde richting wijst de gelijktijdige opkomst – in de achttiende eeuw – van mensenrechten en industriële productiewijze, die beide worden gekenmerkt door een grote mate van abstracte rationaliteit. Het recht dat Singer tegen de technische productie van dierenvlees in stelling brengt, heeft daarom meer gemeen met wat het bestrijdt dan je op het eerste gezicht zou denken. De afwezigheid van een concrete relatie met de betreffende dieren (het enige contact gaat, in de vorm van biefstukken of koteletten, via de mond en de maag) lokt als het ware vanzelf een abstracte reactie uit. Boeren zul je niet gauw om dierenrechten horen roepen, en dat niet alleen uit bekrompen eigenbelang.

Een echte pragmaticus zal zeggen: wat maakt het uit, het gaat erom het lijden van dieren te verminderen en op welke manier dat gebeurt is van ondergeschikt belang, áls het maar gebeurt. Dat is waar. En wie weet krijgt Singer op den duur steeds meer medestanders. Ook moreel besef is aan verandering onderhevig. Dat bewijst de veranderde houding ten opzichte van slavernij, die Singer steeds aanhaalt als een hoopgevend voorbeeld. Wat eeuwenlang als vanzelfsprekend gold, is sinds anderhalve eeuw onvoorstelbaar geworden. Misschien dat ooit hetzelfde gebeurt met onze houding tegenover dieren.

Het succes van de dierenbevrijdingsbeweging sinds het verschijnen van Animal Liberation is daar alvast een aanwijzing voor, evenals de verhevigde compassie met en affectie voor dieren als koeien, varkens en paarden die in ons eigen land blijkt uit het werk van met name Koos van Zomeren, Rudy Kousbroek en Charlotte Mutsaers. Hun succes heeft zonder twijfel iets bijgedragen aan de brede verontwaardiging, die nu naar aanleiding van de BSE- en MKZ-crises is losgebarsten. Het is een vorm van literair engagement die misschien wel juist aanslaat omdat het niet direct een politiek engagement betreft. Bij Peter Singer gaat het echter om veel méér dan alleen compassie met het dier in nood. Hij geeft zijn engagement met de dieren uitdrukkelijk een plaats binnen zijn ideaal van een `ethisch leven', zijn vorm van verzet tegen de huidige dominantie van het materialistische eigenbelang.

In zekere zin vervangt dit ideaal van een ethisch leven voor Singer de linkse utopieën van het verleden, zoals mag blijken uit het artikel `Darwin for the left' uit Writings on an ethical life. Daarin neemt Singer afscheid van het vroegere linkse streven naar `menselijke volmaaktheid', dat onder Stalin, Mao of Pol Pot enkel tot catastrofes heeft geleid. De evolutieleer sluit het bereiken van volmaaktheid bovendien bij voorbaat uit en dwingt daardoor tot een meer realistische benadering van de menselijke mogelijkheden. De mens is veranderbaar, zij het slechts tot op zekere hoogte; er zijn altijd constanten in zijn natuur waarmee iedereen die niet in utopisme wil vervallen terdege rekening zal moeten houden.

Merkwaardig genoeg lijkt aan het eind van het artikel het utopisme alsnog via de achterdeur binnen te komen, wanneer Singer in de gentechnologie de mogelijkheid wil zien van een `nieuw soort vrijheid', te weten `de vrijheid om onze genen zo te vormen dat we, in plaats van in maatschappijen te leven die gebonden zijn aan onze evolutionaire oorsprong, de soort maatschappij kunnen maken die we de beste vinden'. Wat er ook in het linkse idealisme mag zijn veranderd, niet het geloof in de maakbare samenleving.

Dat geloof heeft wel een andere inhoud gekregen, nu ook een groot deel van de dierenwereld erbij is inbegrepen. Wat Singer voor ogen lijkt te staan, is enerzijds een vermenselijking van de natuur, anderzijds een vernatuurlijking van de mens. In feite komt dat neer op voortzetting van de beheersing van de natuur, zij het dit maal met andere, `humane' middelen. Mocht het vegetarisme ooit algemeen worden, dan heeft Singer al bedacht dat de dan geleidelijk in omvang afnemende veestapel vredig zal mogen grazen in door de mens afgebakende reservaten.

Iets anders is, in hoeverre de genetische maakbaarheid van de mens (dat wat de Duitse filosoof Peter Sloterdijk `het mensenpark' heeft genoemd) te rijmen valt met het ethische leven dat Singer elders bepleit. Het type genetische manipulatie waarin hij zijn vertrouwen lijkt te stellen, maakt zo'n ethisch leven immers overbodig, omdat het resultaat ervan ook zonder morele inspanning zou worden bereikt. Voor de dieren, die nu maar moeten afwachten of de mensheid bereid is om zich massaal door de redelijke argumenten van Singers ethiek te laten overtuigen en over te gaan op een vegetarisch dieet, zou dat ongetwijfeld een zegen zijn. Of hetzelfde ook voor de mens geldt, lijkt minder evident.

Het zou me niet verbazen als er zelfs mensen bestaan die, geconfronteerd met het vooruitzicht van Singers `nieuw soort vrijheid', zo gek zijn om de voorkeur te geven aan het ethisch en pragmatisch zo weinig bevredigende gemodder van de hedendaagse politici.

Peter Singer: Writings on an ethical life. Fourth Estate, 249 blz. ƒ66,90

    • Arnold Heumakers