Propaganda uit winstbejag

`Mijn plan is dan ook hier te lande een reeks vertalingen van werken over het Fascisme uit te geven', schreef uitgever A.A.M. Stols eind mei 1934 aan de priester Wouter Lutkie, een van de voormannen van het fascisme in Nederland. Stols was daarvoor in Rome geweest, waar hij een door hem uitgegeven bloemlezing uit de Italiaanse literatuur had aangeboden aan Mussolini, koning Victor Emmanuel, de gouverneur van Rome en paus Pius XI.

Het meest schokkende aspect aan Gerard Groenevelds geschiedenis van het papieren spoor dat Nederlandse fascisten en nationaal-socialisten hebben nagelaten, is niet dat ideologische scherpslijpers in de aanloop tot en tijdens de Tweede Wereldoorlog hun kans schoon zagen hun abjecte theorieën in druk te verspreiden, maar dat zoveel neutrale uitgevers en drukkers – zoals Stolk – hun kans zagen een graantje mee te pikken van deze nieuwe markt. Zo zagen de uitgeverijen Meulenhoff en Spaarnestad eind jaren dertig alleen om financiële redenen af van de uitgave van Hitlers Mein Kampf en zagen drukkers, ook zij die tijdens de oorlog tal van clandestiene uitgaven drukten, er geen bezwaar in om via orders van puur nationaal-socialistische uitgeverijen als Holle & Co en Westland grote winsten te maken.

Groeneveld besteedt in zijn uitvoerige geschiedschrijving van het bruine boek in Nederland veel aandacht aan de ideologische achtergrond van de `bruine' boekuitgaven. Het boek leidt tot de conclusie dat ondanks de veelal educatieve bedoelingen van de uitgevers van dergelijke uitgaven, de opzet zowel van de kant van de schrijvers als van die van de uitgevers en boekhandelaren toch opvallend vaak een puur commerciële aangelegenheid was. Van een gezamenlijk doel was geen sprake, integendeel, uitgevers als De Amsterdamsche Keurkamer (waaraan Groeneveld eerder een aparte studie wijdde) en Nenasu, de partij-uitgeverij van de NSB, probeerden elkaar waar mogelijk de voet dwars te zetten. Onderling heerste een groot wantrouwen. Zo beweerde Mussert ooit over een eventuele samenwerking met Lutkie: `Mijn meening is, dat hij de eerste maand kan meewerken, de tweede maand zal samenzweren en de derde maand zal verraden.' Die onderlinge concurrentie werd zelfs door de Duitse bezettingsautoriteiten aangemoedigd. Van een massaal, monolithisch propaganda-offensief was dus geen sprake.

Verheffing

Groeneveld signaleert deze competentiestrijd tussen de diverse uitgeverijen wel, maar verbindt deze niet met de centrale vraag van zijn boek, namelijk wat de functie van het boek was binnen het fascisme en nationaal-socialisme in de periode 1921-1945. In Italië organiseerde het fascistische bewind al vanaf 1927 een jaarlijkse Dag van het Boek, waaraan grote propagandistische waarde werd toegekend. Later bediende ook het nationaal-socialisme zich van dergelijke manifestaties. Over het propaganda-offensief dat bruine uitgevers elk voor zich met hun uitgaven voerden, levert Groenveld boeiende details. Ook iemand als Tobie Goedewaagen, die de eerste jaren van de oorlog secretaris-generaal van het gelijkgeschakelde Departement van Volksvoorlichting en Kunsten was, benadrukte de propagandistische waarde van het boek. `Het boek moet getuigen van de opbouwende en veredelende krachten die in een volk sluimeren. Het moet die krachten wakker maken en het omhoog voeren naar zijn beter zelf, zijn hoogere persoonlijkheid. Van de amusementslectuur tot aan de hoogste kunstuiting en het wetenschappelijk geschrift moet het boek verheffend werken', schreef hij in 1941. Maar als Groenevelds boek iets duidelijk maakt, is het wel dat de uitgevers van het bruine boek het daarover in theorie misschien wel eens waren, maar dat over de praktische uitwerking van dit credo nogal verschillend gedacht kon worden. De NSB-propagandaleider F.E. Farwerck klaagde na de oorlog nog tegen zijn ondervragers: `de geheele propaganda bleef haperen op gebrek aan eenheid en principieele lijnen. Ieder, die in woord en geschrift naar buiten trad, verkondigde zijn opvatting van het nationaal-socialisme en daardoor kwamen allerlei meeningen naar voren, waarmede alleen bepaalde groepen het eens waren.' En zelfs op beleidsniveau gunden Goedewaagens department en het Letterengilde van de Kultuurkamer elkaar nauwelijks het licht in de ogen.

Het boek als propagandamiddel was niet een fenomeen dat was voorbehouden aan fascisme en nationaal-socialisme. Vanaf 1930 kende ook Nederland een jaarlijkse Boekenweek met een nadrukkelijk `opvoedend' doel, waaraan alle uitgevers en boekverkopers, ongeacht hun ideologische achtergrond, meededen. Socialistische, communistische of christelijke uitgevers streefden op gelijksoortige manier – via colportage, eigen boekwinkels, abonnementen en dergelijke – ernaar hun ideeën aan de man te brengen, daarvoor hoef je maar te kijken naar uitgeverijen als de Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur (Wereldbibliotheek) of De Arbeiderspers. Zelfs binnen een en dezelfde uitgeverij gedijden soms volstrekt tegengestelde politieke opvattingen, zoals tijdens de Spaanse Burgeroorlog bij De Gemeenschap te zien was.

Je zou graag willen weten of het nu de gerichte propaganda uit rechts-radicale hoek is geweest, die het nationaal-socialistische bewind heeft helpen vestigen, of juist de minder nadrukkelijke aandacht voor fascisme en nationaal-socialisme bij andere dan notoir nationaal-socialistische uitgeverijen. Om dat goed te kunnen beoordelen, zou je meer moeten weten over de verspreiding van het bruine boek onder de verschillende bevolkingsgroepen, over oplagen en over accurate verkoopcijfers. Groeneveld geeft die slechts sporadisch, waarschijnlijk omdat die gegevens niet voorhanden zijn. Het maakt dat de door hem gereleveerde feiten zelden het anekdotische niveau ontstijgen.

Voor mei 1940 was het `bruine' boek vooral verbonden aan politieke partijen, na de Duitse bezetting stimuleerde de Duitse bezettingsautoriteiten de nationaal-socialistische boekproductie enorm. Het `bruine' boek profiteerde daarbij van de schaarste aan boeken in Nederland. Publicaties van nationaal-socialistische uitgeverijen als Westland, Hamer en De Schouw vonden niet alleen bij geestverwanten aftrek, maar waren bij gebrek aan beter gewoon bij Bruna, AKO en de Bijenkorf te koop. Het illegale blad Trouw schreef daarover in 1944: `Sommige boekhandelaren vergaten hun opvoedende taak en verkochten de grootste prullen. Zelfs de producten van de nieuwe Nazi-uitgeverijen'; Vrij Nederland uitte in hetzelfde jaar een soortgelijke klacht: `Het zijn niet [...] de koopers van vroeger, die deze boeken afnemen. Het is de gewonen man, degene die in deze jaren, voor het eerst eigenlijk, naar boeken grijpt, omdat zooveel ontspanningsmogelijkheden van vroeger zijn afgesneden'. Het is misschien juist via deze sluipwegen dat de `bruine' uitgevers onbedoeld hun grootste invloed hebben uitgeoefend.

Losse feiten

Groeneveld heeft voor een thematische aanpak gekozen, en niet voor een chronologische benadering, al onderscheidt hij vanzelfsprekend de vooroorlogse periode, toen de bruine uitgevers tegen de stroom in moesten roeien, en die tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen zij het tij mee hadden. Die thematische aanpak heeft een belangrijk nadeel: de lezer krijgt een grote hoeveelheid losse feiten voorgeschoteld, maar moet een synthese missen. Inzicht in de fondsvorming van de `bruine' uitgeverijen ontbreekt daardoor bovendien.

Die thematische aanpak heeft wel het voordeel dat juist het propagandistische aspect uitvoerig aan de orde komt in onderwerpen als verzet tegen de democratie, antisemitisme, sibbekunde en taal als bindmiddel van de volksgemeenschap. Groeneveld voert zijn lezers langs de soms vermakelijke publicitaire uitingen van veel hele en halve garen. Bovendien wisselt Groeneveld zijn lopende tekst af met puntige biografische informatie over de hoofdrolspelers en de belangrijkste uitgeverijen in zijn boek. Deze duidelijk op een grondige kennis van zaken stoelende informatie maakt zijn boek tot een waardevol naslagwerk, dat bovendien ontsloten wordt door een uitgebreide personen- en zaakregisters.

Aan het onderwerp van Groenevelds boek is van 5 april t/m 1 juni in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam (Singel 425) een kleine tentoonstelling gewijd (ma t/m vrij 12-16 uur; inlichtingen: 020-5252143).

    • Sjoerd van Faassen