Pluisje barstte uit zijn voegen

Autobiografen worden zelden gedreven door bescheidenheid, maar toch komt het niet vaak voor dat iemand zich in zijn eigen levensverhaal met God vergelijkt. Diego Maradona doet het in Ik ben El Diego. God van het voetbal, en met een zeker recht van spreken: vijftien jaar geleden bereikte hij het allerhoogste. Dankzij onder meer een doelpunt dat inmiddels is gekozen tot `het doelpunt van de twintigste eeuw', leidde hij Argentinië naar de wereldtitel en bezorgde hij zichzelf zo een plaats in het langzaam groeiende pantheon van wereldgodsdienst Voetbal. Een ereplaats, daar waar de Braziliaan Péle en de God van Nederland, Johan Cruijff, verblijven.

Maradona is een sporter die niet alleen zijn overwinningen aan God opdraagt, maar bovendien speculeert op de directe interventie van een hogere macht bij de wedstrijden waaraan hij deelneemt, met als bekendste voorbeeld het doelpunt dat hij in 1986 met de hand maakte tegen Engeland, om vervolgens te beweren dat `de hand van God' aan het werk was geweest.

Eenmaal wereldkampioen en vergoddelijkt, kreeg Maradona het steeds moeilijker met de aardse zaken: drugs, een vermoedelijke bastaardzoon, doping, schorsingen, de maffia, schoten met een luchtbuks, verloren wedstrijden — tot uiteindelijk een combinatie van cocaïnegebruik en vraatzucht zijn hart bijna fataal werd. En op alle dramatische momenten vergoot hij tranen alsof hij een heiligenbeeld was. Na het drogen van de tranen meldde de moddervette ster zich getooid met een tatoeage van Che Guevara op de bovenarm – rebellen onder elkaar – bij de Cubaanse president Fidel Castro om in Cuba van zijn verslavingen af te komen. Enkele maanden geleden keerde hij terug naar Argentinië. Afgezien van een botsinkje met de fourwheeldrive ging het op Cuba heel behoorlijk met hem, sterker nog, hij schreef er een boek.

Cassettes

Nu ja, schrijven. Dan is het schrijven met de hand van God. Maradona heeft vooral gepraat en de cassettes uit laten tikken, waardoor de stijl van Ik ben El Diego naadloos aansluit bij het weinig reflexieve karakter van de autobiografie. De grote lijnen van Maradona's levensverhaal zijn bekend: geboren op 30 oktober 1960, opgegroeid in een stenen huis in de arme wijk Fiorito van Buenos Aires en zo rond zijn achtste ontdekt als zeer talenvol voetballer: El pibe de oro, de jongen van goud. Als jeugdspeler werd hij al beroemd door in de rust van de wedstrijden van Argentinos Juniors kunstjes met de bal te vertonen. Toen hij daar op zijn vijftiende eenmaal een contract kreeg, kon zijn familie verhuizen, dankzij de jonge kostwinner. Die stond al op zijn achttiende bekend als het grootste talent in zijn sport, een belofte die hij zou inlossen met een wereldtitel met Argentinië in 1986, twee Italiaanse kampioenschappen met underdog Napoli en een Uefa-beker met dezelfde club.

Door zijn wandaden – zoals `die heisa met dat bukskogeltje', Maradona's visie op het schot dat hij bij zijn villa op een journalist afvuurde – wekte de voetballer al eerder de stellige indruk dat hij was gaan geloven in zijn goddelijke of tenminste onschendbare status. En de locatie waarop het boek geschreven is, het afkickeiland Cuba, wekt de indruk dat we hier met het verslag van een wedergeboorte te maken hebben.

Echter, niets is minder waar. Persoonlijke groei, in welke vorm dan ook, is aan Maradona voorbijgegaan. En een god is hij alleen op een grasveld. In Ik ben El Diego spreekt geen god, maar een kind. En, bovendien, een onzeker kind. Hij lijkt zich nauwelijks bewust dat zijn voetbalverdiensten bij niemand ter discussie staan. En dat hij de strijd op het voetbalveld, volgens hemzelf het centrale thema in zijn loopbaan, eigenlijk allang en onherroepelijk heeft gewonnen.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit de omstandige wijze waarop hij opschept over het eerste doelpunt dat hij ooit maakte in een superclásico, de zwaarbeladen stadsderby tussen Boca Juniors en aartsvijand River Plate – met zijn vader op de tribune. Nadat hij zeer uitgebreid de goal heeft beschreven, volgt een terloops zinnetje: `Brindisi had eerder ook nog twee keer gescoord en het werd 3-0'. Waarmee het zo heroïsch beschreven doelpunt uiteindelijk niet meer dan de onbelangrijke derde treffer in een al gewonnen wedstrijd blijkt te zijn. Evenzo gaat het met andere wedstrijden: alle strafschoppen tegen waren onterecht, eigenlijk liep het spel steeds op rolletjes, bestond het eigen team uit louter helden en de tegenstand uit schoppende nietsnutten.

De strijd gaat voort, het hele boek door: tegen iedereen die hem ooit heeft dwarsgezeten, zoals oud-aanvoerder en bondscoach van het Argentijnse elftal Daniel Passarella: `Discipline en orde, Passarella? Doe me een lol! Alsjeblieft, zeg! Het zou kunnen dat discipline en orde voor jou betekent de deurkrukken in het trainingskamp met stront te bevuilen, om je ten koste van je ploeggenoten te vermaken...' Passarella krijgt vaker de wind van voren: hij wordt beschuldigd van overspel en van het aanzetten tot drugsgebruik: `Als ik in mijn voetbaldagen met drugs in aanraking ben gekomen, was het door jou, het kwam door jou!' Zonder die beschuldiging overigens specifieker te maken.

Het vermakelijkst is het boek wanneer Maradona beschrijft waartoe de vijandschappen en ruzies kunnen leiden, met als hilarisch hoogtepunt de strijd die hij voerde met Josep Nuñez, de voorzitter van zijn toenmalige club Barcelona, die zijn paspoort had ingenomen en weigerde het terug te geven, bang als hij was voor de eeuwig uitdijende vakantietripjes van zijn sterspeler. De voorzitter weigerde hem te ontvangen, tot de speler een van de (glazen) bekers uit de prijzenkast in handen kreeg: `Ik tilde de trofee zo hoog mogelijk op en liet hem hard op de grond vallen'. Dat werkte. `Het ging tegen de grondwet in dat ze het achterhielden'. Elders vertelt Maradona goedgehumeurd hoe hij zijn trainer-coach Bilardo tegen de grond slaat.

Videla

De eerlijkheid over die incidenten is niet echt representatief voor het boek. Dat blijkt bij Maradona's behandeling van zijn eigen contacten met de Napolitaanse maffia: een onnavolgbare en ontwapenende maar in moraal-filosofisch opzicht niet helemaal sluitende passage: `Dat de camorra in de stad bestond, ga ik niet ontkennen. Maar dat ik zaken met hen zou hebben gedaan, is helemaal niet waar: ze hebben me nooit onder druk gezet. [...] Het was fascinerend om te zien en natuurlijk kreeg ik van alles aangeboden, maar ik wilde niets hebben. [...] Mijn relatie met hen ging niet verder dan een bezoek aan een fanclub of een horloge als geschenk. Maar wanneer ik dacht dat de zaak niet helemaal duidelijk was, deed ik er niet aan mee. Ik maakte ongelooflijke dingen mee: elke keer dat ik zo'n club bezocht, dan kreeg ik gouden Rolexen, auto's, auto's! Cadeau. Ik kreeg bijvoorbeeld de allereerste Volvo 900 in heel Italië... En ik vroeg steeds: ,,Maar wat moet ik doen?' En dan zeiden ze: ,,Niets, een foto laten maken.'' Zo belandde hij op een foto met vermeend camorra-kopstuk Carmine Giuliano, legt hij uit.

Over een andere foto is hij iets duidelijker, die waarop hij als achttienjarig voetbaltalent met de `verachtelijke' generaal Videla staat: `Het is inderdaad waar dat er een foto van mij de ronde doet waarop ik zijn hand schud; daar kan ik alleen op zeggen dat ik geen keus had.'

Over zijn drugsgebruik schrijft Maradona openlijk dat hij er begin jaren tachtig als speler van Barcelona mee begon, maar veel preciezer wordt hij niet. Als het bovendien om een beschuldiging bij een bepaalde gelegenheid gaat, ontkent hij: ik gebruikte wel, maar op die dag juist niet. Hij verzet zich nadrukkelijk tegen het idee dat hij de enige zou zijn die gebruikt: het Argentijnse voetbal was volgens hem veel eerder opgehouden drugsvrij te zijn. En drugs zijn niet het belangrijkste in het leven: `Ik gebruik liever, hoe pijnlijk dat ook mag zijn, dan dat ik inhalig of een valse vriend ben.'

Er is veel rotzooi gestopt in het lichaam van de speler die begon als Pluisje, maar geleidelijk aan uit die lieflijke benaming zou barsten. Als kind al kreeg hij `vitaminen en injecties' toegediend, waardoor zijn andere koosnaam, El pibe de oro, een minder vrolijke bijklank krijgt. Later kostte het goudmijntje – niet alleen de beste, maar ook de duurste voetballer ter wereld – zijn clubs zoveel geld dat er constant vriendschappelijke wedstrijden gespeeld moesten worden om de kosten eruit te halen. Die overbelasting, zeker in combinatie met de vele schoppen die Maradona te verduren kreeg, leidde tot talloze kleine blessures die werden bestreden met een eindeloze serie pijnstillende injecties.

Hulpstukken

Zo heeft Maradona een leven geleden met nogal wat hulpstukken, in een omgeving die keer op keer werd beloond voor de momenten waarop men het troeteldier zijn zin gaf. Want wie probeerde El pibe de oro te disciplineren, kreeg een werkweigering, maar wie hem op zijn eigen wijze tegen de vaak alomtegenwoordige vijand liet strijden, had een grote kans op succes.

`Het is algemeen bekend dat tegen alles en iedereen spelen mijn specialiteit was', schrijft hij ergens in het boek. Soms lijkt het echter dat hij ook onder zijn lezers meer tegenstanders dan volgelingen vreest.

Het mooie van de voetbalcarrière van Maradona is dat hem zijn zonden werden vergeven door zijn prestaties op het veld. Het jammere van zijn autobiografie is dat hij juist door zo door te drammen over zijn verdiensten, de lezer weer laat twijfelen aan zijn goddelijke status.

Diego Armando Maradona: Ik ben El Diego. God van het voetbal. Uit het Spaans vertaald door Peaches. A.W. Bruna, 291 blz. ƒ32,50

    • Arjen Fortuin