Op zoek naar nageslacht

Ook de tweede roman van Erwin Mortier is genomineerd voor de Librisprijs. `Ik wist dat ik risico's nam met `Mijn tweede huid', want het is een vrij melodramatisch geheel.'

Erwin Mortier (1965) is een van de opmerkelijkste nieuwe schrijvers van de laatste jaren in het Nederlandse taalgebied. Zijn debuut Marcel ontketende bij de verschijning begin 1999 een storm van lyrische reacties. Recensenten leken vooral verbaasd: een onbekende Belg kwam zomaar op de proppen met een `droomdebuut', zoals Hans Goedkoop Marcel in deze krant noemde. Het boek is inmiddels aan z'n zevende druk toe en werd onder andere bekroond met de Van der Hoogtprijs, het Gouden Ezelsoor en een nominatie voor de Libris Literatuurprijs. Met de opvolger, Mijn tweede huid, waarover de meningen van de critici iets verdeelder waren, is Mortier dit jaar opnieuw tot de short list van de Libris-prijs doorgedrongen.

,,Je raakt een beetje murw gelauwerd'', zegt de schrijver zachtjes over alle lof die hem ten deel valt. ,,Ik wil niet ondankbaar klinken, maar telkens als je zo'n prijs gaat ophalen ben je toch weer een dag lang een marionet in andermans scenario. Dat je als schrijver ook een publiek figuur wordt, vind ik een van de minder leuke kanten ervan. Het voelt alsof er uit krantenpapier en foto's een soort duplicaatversie van je wordt gekneed, die een eigen leven gaat leiden. Je merkt het op evenementen als een boekenbeurs, dan zie je de mensen kijken: o, dat is de Schrijver... Er valt een soort gemoedelijkheid weg die je vroeger spontaan had. Vrienden die mij nog kennen van vóór Marcel zijn nu extra belangrijk geworden. Mensen met wie je nog af en toe aan de toog kunt hangen.''

Het verhaal van Marcel laat zich in een paar zinnen samenvatten. Een jongetje dat opgroeit bij zijn grootouders op het Vlaamse platteland, ontrafelt door foto's en brieven te bekijken en de grote mensen om hem heen af te luisteren, het `foute' oorlogsverleden van zijn familie. Hoofdpersoon hierin is zijn oud-oom Marcel, de broer van zijn grootmoeder, die in de oorlog met de Duitsers collaboreerde en aan het Oostfront is gestorven. De schande hiervan wordt de grootouders nog altijd nagedragen door hun dorpsgenoten. Mortier baseerde het verhaal deels op verhalen uit zijn eigen familie.

Opvallend aan het boek zijn niet zozeer de gebeurtenissen, die zich langzaam, in kleine kinderpasjes voltrekken, maar de stijl en het uitbundige, lyrische taalgebruik. Marcel is één grote vreugdedans van metaforen, alliteraties en koddige Vlaamse uitdrukkingen. Koopwaar is `marchandise', huilen is `kelen', een flinke regenbui is `een serieuze kuip op ons dak'. En alle voorwerpen leven: wekkers `verstouwen hun seconden', bedden `ontvangen met lijdzaam, jankend verzet' het gewicht van hun slapers. Op de bloes van de schooljuf `slingeren vlezige bloesems zich langs lianen over haar borsten'. Het is een taal om verliefd op te worden.

Mortier: ,,Ik ga alle complimenten erover natuurlijk niet tegenspreken, maar wat niet veel mensen begrepen, was dat de taal in Marcel maar een middel was. Hij lag als een verbloemend weefsel over alle onuitspreekbare dingen uit het verleden heen. De grootmoeder is naaister, ze is constant bezig met het opsieren en optuigen van haar omgeving. De taal in het boek doet hetzelfde. Ik zette hem daartoe onder maximale druk. Hij is gekunsteld, bijna kunstmatig. Mensen lieten zich er soms door verblinden, en zagen niet dat er een doortimmerd verhaal onder zat. Ik wist van tevoren dat ik dat risico liep. In de Belgische pers werd achteraf gezegd: die Nederlanders vallen alleen op zijn grappige Vlaams. Maar er sprak ook een authentieke bewondering uit, vond ik. Wij zuiderlingen springen nu eenmaal losser en creatiever met de taal om. We zijn katholiek, katholieken zijn altijd wat sjoemelig, en we hebben het Frans om de hoek, wat verrijkend is. De vertalers die met Marcel bezig zijn, beklagen zich er allemaal over hoe moeilijk het is. Dat vind ik wel een goed teken.

Vijf

,,Mijn grootouders woonden vroeger naast ons, en als jongetje van vijf, zes wist ik al meer over hun oorlogsverleden dan hun kinderen, die ze juist hadden afgeschermd. Marcel heeft in mijn geboortedorp wel voor wat opschudding gezorgd. Niet dat ik er enig geheim in onthulde, hoor. Iedereen weet daar vijftig jaar na de oorlog nog precies wie fout was en wie niet, dat ettert maar door. Maar in het boek wordt geen enkel moreel oordeel uitgesproken over iemands gedrag in oorlogstijd. De grootouders en Marcel maakten hun keuzes als begin twintigers, onbezonnen. Zoals ik het heb opgeschreven, verleen ik ze juist clementie.''

Mortier schrijft al heel lang. ,,Ik ben ermee begonnen op het moment dat ik de lagere school achter me liet en in de puberteit kwam. Schrijven was iets dat structuur gaf, het schonk me persoonlijke voldoening. Het was nooit met enigerlei verwachting beladen. Mijn ideale zomervakantie bestond uit lezen en dingen in een schriftje noteren. Later ben ik wel fragmenten gaan voorlezen aan mijn partner en aan vrienden, en zij zeiden altijd: als het goed is wat je doet, komt het vroeg of laat wel bovendrijven. Zij zijn heel blij dat de boeken er nu zijn. Het bevestigt hen in hun verwachting dat ik de letteren niet door de dienstbodeningang zou betreden, maar deftig door de voordeur.''

Twee van Mortiers vrienden hielpen het lot een handje toen ze tijdens een werkbezoek aan uitgeverij Meulenhoff een van de redacteuren attent maakten op de schrijfactiviteiten van hun vriend, die tot dan toe alleen wat journalistiek werk gepubliceerd had. Prompt ging bij Mortier de telefoon: kon hij niet eens wat opsturen? Dat was geen probleem. ,,Ik debuteerde met Marcel uit pragmatische overwegingen: ik kon het binnen enkele maanden voltooien, en het was niet al te lijvig. Het manuscript bevatte fragmenten die al tien jaar oud zijn. Ik heb steeds allerlei potjes op het fornuis staan pruttelen waarin ik zit te roeren. Op een gegeven moment bijt een van die opzetjes zich vast in mijn hoofd, en dan weet ik: deze is rijp. Nu kan ik er een verhaal van maken. Het is heel intuïtief. Als het eindstadium nadert, begint een boek me ook bijna op te eten, ga ik slechter slapen. Een heel fysieke gewaarwording. Bij de uitgeverij werd ik na Marcel met rust gelaten: anderhalf, twee jaar leek hun wel een goede termijn voor een volgend boek. Vorige zomer heb ik toen Mijn tweede huid afgerond in mijn oude kamer, bij mijn ouders thuis. Het is daar nog altijd de zoete inval voor mijn broers en zussen en mij. Sommige stukken die ik al had konden bijna onveranderd het manuscript in, andere waren nog heel schetsmatig.

,,Ik weet al wat mijn oeuvre moet worden, en ik weet ook welke plaats de twee boeken die tot nu toe verschenen zijn in dat landschap innemen. Chronologisch horen ze achteraan. Ze gaan allebei over mensen die heel besloten opgroeien en dan door het leven gedwongen worden naar buiten te gaan. Waar Marcel eindigt met een begrafenis, zal deel drie van dit informele drieluik eindigen met een geboorte. Elk boek moet wel afzonderlijk te lezen zijn, want je weet natuurlijk nooit hoe oud ik zal worden. Ik zou een boek nooit eindigen met `wordt vervolgd'. Dan sluit ik wat ik noem de kinderkamer van mijn oeuvre af, en ga ik terug in de tijd. Ik heb een manuscript klaarliggen dat zich aan het eind van de negentiende eeuw afspeelt. Het is veel weidser van opzet, met veel meer personages. Daar had ik ook wel mee kunnen debuteren, maar ik dacht: dan heb je de poppen helemaal aan het dansen.''

In Mijn tweede huid trekt de taal veel minder de aandacht dan in Marcel. De lezer krijgt wat meer ademruimte.

,,Mijn tweede huid heeft de structuur van een triosonate. Het eerste deel, als de hoofdpersoon nog klein is en zich beschermd weet door zijn ouders en ooms en tantes, is allegro ma non troppo. Het tweede deel is adagio: Anton moet naar de grote school, de echte, harde wereld doet zich voelen. In het derde deel, presto, moesten alle elementen samenkomen. Ik wist dat dat de zwaarste klus zou worden. Anton kijkt terug, en laat even blijken dat hij het verhaal vertelt als hij al tegen de veertig loopt. Zo ontstaat er spanning tussen de vertelde ik en de vertellende ik, wat een indruk van grote verlatenheid geeft. Om die verlatenheid draait het hele boek, om het feit dat je er, hoe bemind ook, uiteindelijk altijd alleen voorstaat.

,,In Zeeman met boeken zei Bas Heijne: als je het verhaal vertelt is het eigenlijk cliché, maar als je het leest is dat niet zo. Dat vond ik wel mooi. Het meeste speelt zich onderhuids af. De titel verwijst daar ook naar. Ik wist ook wel dat ik risico's nam, want het is een vrij melodramatisch geheel. Het gaat over iemand die alles verliest: zijn jeugd, zijn dromen, zijn beste vriend. Er gaan mensen dood. Anton voelt de benauwde kanten van zijn ouderlijk huis, maar weet ook dat er oprechte warmte en genegenheid heerst. Hij verzet zich tegen zijn ouders, en vergeeft ze dan weer. Ik had, kortom, alle elementen in handen voor een afschuwelijke tear-jerker.''

Homoseksueel

Tussen de vader en de zoon bestaat wel een onuitgesproken conflict. De zoon ontdekt dat hij homoseksueel is, maar vertelt dat niet aan zijn vader.

,,Anton is treurig als hij bedenkt dat hij nooit thuis zal komen om kleinkinderen als bloemenkransen om zijn vaders schouders te hangen. Anderzijds kijkt hij misprijzend naar zijn keurig getrouwde neef, die wel met kindjes en luiers en wagens op bezoek komt. Ik heb dat zelf ook als ik naar een bruiloft ga: het gevoel dat er voor onze heteroseksuele medemens automatisch een aantal scenario's klaarliggen. Of het nu goed is of niet, ik denk dat je toch snel kan verzanden als de paden al zo zijn uitgestippeld. Als homoseksueel lijk je nog altijd buiten de gevestigde orde te vallen, en moet je het wiel steeds opnieuw uitvinden. Ik vind dat niet spijtig. Zo word je gedwongen om alle mogelijkheden van het leven te verkennen. Ik ben al twaalf jaar met dezelfde man, dus eigenlijk ben ik gewoon getrouwd, maar je mist in een gelijkgeslachtelijk huwelijk natuurlijk een existentiële dimensie. Zo voel ik dat wel. Je moet zelf op zoek naar een nageslacht, naar mensen die misschien iets van je zullen meedragen over de groeve heen.''

Gaat Anton het zijn vader nog vertellen?

,,Dat weet ik niet. Dat heb ik bewust buiten het verhaal gelaten. Ik laat wel meer belangrijke vragen open, want het gaat om de fundamentele eenzaamheid van de hoofdpersoon. Het oorspronkelijke manuscript bevatte een paar expliciete verwijzingen naar seksualiteit, maar ik vond het uiteindelijk toch niet bij Antons aard passen om daar vrijuit over te spreken. Hij heeft er te veel pudeur voor. Ik ben zelf trouwens nooit zo'n tobber geweest. Ik was me er vanaf mijn veertiende van bewust hoe de kaarten erbij lagen, wat mijn verlangens betreft, en heb daar toen vrij resoluut voor gekozen. Maar er zijn natuurlijk veel mannen bij wie dat niet het geval is.''

De jongen haat zijn middelbare school. Op het moment dat hij er voet over de drempel zet, stort zijn wereld in.

,,Dat is me uit het hart gegrepen. Ik zat op een katholieke jongensschool, en heb die hele periode ervaren als een chronisch gevecht om mijn eigenheid te bewaren. Omdat ik al contact had met de literatuur, met denkwerelden buiten de mijne, ervoer ik het denken dat op school heerste van meet af aan als heel beperkt en was ik gesterkt in de wil om me tegen dat vlakke systeem te verzetten. Het literatuuronderwijs bestond uit het ons oogkleppen opdoen: we mochten alleen katholieke auteurs lezen, die ons niet te veel perspectieven boden. Met uitzondering van het werk van Maurice Gilliams, dat ik toevallig wel dankzij een leraar Nederlands leerde kennen en dat een openbaring was, vond ik het merendeel van de boeken niet interessant.''

Bibliothecaris

,,Intussen las ik zelf gewoon door. Mijn grootouders lazen veel, en de bibliothecaris uit het dorp stopte me van jongs af aan van alles toe. Mijn honger naar boeken wekte soms ongeloof bij de leraren. Maar mijn hoofdpersoon kent zelfs dat plezier niet. Zijn boeken kunnen hem niet boeien. Ik wou hem helemaal aan zijn lot overlaten.

,,Later, op de universiteit, overkwam me overigens hetzelfde. Ik heb kunstgeschiedenis gestudeerd en ook mijn portie Kant, Hegel en Nietzsche gehad, esthetica, literatuuranalyse. De eerste twee jaar kreeg je de hele zwik over je heen. En bij veel van die systemen dacht ik: eigenlijk vind ik dit dom, mag dat? Tweederde van de leerstof vond ik nutteloos. Eigenlijk voel ik me nog het meeste thuis in de vrouwelijke lijn van de Angelsaksische literatuur: Austen, Brontë, George Eliot, Virginia Woolf, A.S. Byatt, Jeanette Winterson. Ze zijn geestiger dan mannelijke auteurs, hun psychologisch inzicht is subtieler. Mannen zijn vaak van die torenbouwers, die tot de hemel willen reiken. De literatuur hoeft geen duidelijke antwoorden te geven, ze mag zich gerust met ongrijpbare dingen bezighouden. György Konrad hanteert als een van de weinige hedendaagse romanschrijvers een meanderende verhaallijn. Verder vind ik veel literatuur van nu zuur, zuinig. Een koude, academische toestand. Ik wil juist schrijven over de banale, alledaagse kant van het bestaan. Dat hebben we in deze eeuw te veel aan het cliché en de soap overgelaten. Ik wil dat mensen mijn boeken aan den lijve ondervinden: dat ze net als Anton in dat klaslokaal zitten en zich verlaten voelen, dat ze met hem het mortuarium bezoeken. Om dingen zo direct te beschrijven hoef ik ze niet te ervaren, ik moet ze vooral zien. Ik moet in die wereld zitten. Als wat ik schrijf te veel naar het cerebrale neigt, gooi ik het er weer uit. Ik ben van nature heel zintuiglijk. Mijn partner zegt ook altijd dat ik zoveel registreer. Als we in gezelschap zijn merk ik erg veel op, ook dingen die je maar beter niet tegen mensen kunt zeggen. Daarom ben ik normaliter een ommuurd persoon. Anders wordt het een beetje te veel.''

Uit uw beide boeken spreekt een grote, niet duidelijk gedefiniëerde nostalgie, heimwee naar mensen en plaatsen die er niet meer zijn.

,,Mijn grootvader is gestorven voordat hij Marcel kon lezen, en kort daarop overleed een van zijn kinderen, een tante van mij. En als één iemand er niet meer is, komen alle anderen ook opeens weer om de hoek kijken. De doden lijken allemaal op elkaar. Voor mij persoonlijk helpt het geen zier of ik die dingen nu opschrijf of niet. Tijdens het schrijven misschien wel, maar op het moment dat een boek af is, heb ik niet het idee dat ik minder treur om wie er niet meer zijn. Het brengt geen verzoening. Met het ouder worden wordt het verzet tegen de dood juist almaar groter. Je gooit toch steeds meer ballast weg, steeds meer dingen vind je triviaal. Je voelt je meer thuis in het leven, terwijl je anderszijds de klok verder voelt tikken. Maar ik zou nooit terug willen naar toen ik vierentwintig was. Als ik die jongetjes zie klooien en hun hele emotionele leven tegen het licht zie houden als een pot confiture, `wat zit er allemaal in', dan denk ik: oh, god. Het helpt toch niet. Je moet af van de illusie dat je die dingen allemaal kunt ordenen.''

De boeken van Erwin Mortier worden uitgegeven door uitgeverij Meulenhoff