Omzien in burgermanswrok

Hoekig en nors. Zo karakteriseerde F. Bordewijk het denken van De Bree, de tuchtlievende schoolmeester uit zijn jaren-dertigparabel Bint. Hoekig en nors denken ook de personages uit Bozoc, de zesde roman van Jan Tetteroo. De Amsterdammers Flip, Matti, Willem en Tarzan hebben genoeg van de `toenemende totale stomheid in de wereld'. Verenigd in Bozoc, de Burgers Onbestrafte Zonden Onderzoeks Commissie, trekken zij ten strijde tegen het alledaagse terrorisme dat iedereen ziet maar waar niemand wat aan doet – van wildplassen en fietsen in voetgangerszones tot taalverloedering en bioscoopreclame.

Het motto van Bozoc is een citaat uit Bint (`Het beste wat hij had was zijn wil [...] een wil niet tot bespiegelen, maar tot maatschappelijke actie'); maar het had evengoed de recente slagzin van de Stichting Ideële Reclame kunnen zijn: `De maatschappij, dat ben jij.' Het zou niet de eerste keer zijn dat Jan Tetteroo (een pseudoniem van het schrijversduo Jacques Hendriks en Hans Münstermann) zich in een roman bemoeit met een actuele kwestie. In 1998 verwerkte hij een geruchtmakende aanklacht tegen voetballer Patrick Kluivert in De fantastische Boris Engel; in de jaren daarvoor richtte de woede van zijn personages zich onder meer tegen de voorgenomen afbraak van het Olympisch Stadion en de eeuwige tolerantie die Nederland naar de verdommenis zou helpen.

Krabbelaars

De moraalridders van Bozoc, drie kleine krabbelaars aangevoerd door een Bint-achtig schoolhoofd, boeken aanvankelijk magere resultaten: Flip spreekt een vrouw aan die een doos rotzooi uit de auto gooit, Tarzan vangt een viertal schijtende duiven, Matti vernedert een man die zijn vrouw kleineert. Maar alles verandert wanneer ze kennismaken met Arnold Hollander, een charismatische rijkaard die hun geheime club een financieel én intellectueel fundament geeft. Is er bij de Bozoc-mannen af en toe twijfel over hun idealen (`,,Zijn wij een stelletje enge fatsoensrakkers?' – ,,Welnee, we zijn gewoon bezorgd''), Hollander is de rechtlijnigheid zelve. `,,Wat we nodig hebben is de grootste mentale omwenteling sinds de Middeleeuwen,' predikt hij. ,,De wereld is te vol om nog langer blij uit te roepen: leven en laten leven!''

Een paar weken later roept Hollander de stoottroepen van Bozoc te hulp wanneer er een inbreker in zijn huis rondloopt. Half uit zelfverdediging, in een opwelling van dapperheid, slaat Willem de inbreker dood. En volgens de wetten van de misdaadfictie geeft hij zich daarna niet aan bij de politie, maar laat hij zich door zijn vrienden en vooral door Hollander overhalen om het lijk in het IJ te dumpen. Het vervolg laat zich raden uit boeken als The Secret History van Donna Tartt: de Bozoc-mannen krijgen wroeging, beginnen onderling ruzie te maken, worden gevolgd door de politie en komen tot de ontdekking dat Hollander spoorloos is verdwenen. Is hij zelf slachtoffer van een misdrijf? Is hij een supercrimineel? Heeft hij zijn companen een loer gedraaid?

Het siert Tetteroo dat deze vragen onbeantwoord blijven en dat de plot van Bozoc niet volgens het vaste crime-stramien wordt afgedraaid. Door een labiele daad van Flip – hij krijtte `BOZOC KILLED YOU / YOU BASTARD' op de kade bij de dumpplaats van het lijk – krijgt Bozoc naamsbekendheid en momentum. Binnen een mum van tijd staan de kranten vol van deze `geheimzinnige club wereldverbeteraars'. Moorden en aanslagen op wetsovertreders van divers pluimage worden aan Bozoc toegeschreven, de man in de straat spreekt zijn steun uit voor de beweging, ouders worden door hun kinderen (letterlijk) aan de schandpaal genageld, en `op alle straathoeken hoorde je de hoge stemmen van burgers die het nu aandurfden.' Als de politie eindelijk de pioniers van Bozoc weet op te pakken, is het al te laat. Amsterdam is in de greep van anarchisme en eigenrichting. `Sinds de oprichting van Bozoc had de stad zich nog niet zo goed gevoeld,' luiden de laatste regels van het boek. `Een stad zonder een spoor van twijfel of onzekerheid.'

Zoals Bordewijk in Bint liet zien waartoe extreme tucht kon leiden, zo stelt Tetteroo de uitwassen van de burgermansmoraal aan de orde. Willem (`een man met verantwoordelijkheden'), Tarzan (`een man van het lichaam'), Matti (`een tobber') en Flip (`de ridder') zijn geen kwaaie kerels, maar ze worden verteerd door wrok en frustratie. `Ik wil een daad stellen die alles rechtzet,' zegt Flip, en ook de anderen hebben de mond vol van morele richtlijnen, die behoorlijk totalitair zijn en waaraan ze zich bovendien in hun eigen leven niet altijd houden. Hoe dun het lijntje tussen moralisme en hypocrisie is, geeft Flip al te kennen wanneer hij bij zijn huisarts opbiecht `dat hij diep vanbinnen, in zijn kern, een soort fundamentalistische geestelijke was die geen tegenspraak duldde [...] een starre persoonlijkheid die bedekt was met een laagje valse bescheidenheid, een vleugje burgermansfatsoen en een bijzonder oppervlakkig soort correctheid.'

Muesli-bol

Maar misschien moeten we Jan Tetteroo niet al te serieus nemen. Net als zijn eerdere romans Korte historie van het Nederlandse volk (1995) en De laatste Nederlandse man (1993) is Bozoc in de verste verte geen moralistische of zelfs filosofische roman. Er wordt de draak gestoken met een teveel aan maatschappelijke betrokkenheid en vooral met de brave borsten die zich tot zogenaamd zinvol geweld laten verleiden. Dat levert hilarische passages op, bijvoorbeeld wanneer Matti zich in de trein ontfermt over een vrouw die van haar echtgenoot geen kopje koffie van de Railtender mag nemen; of wanneer Flip een `van honger' bedelende zwerver tegen zijn zin meesleept naar een bakkerij om hem een muesli-bol en een tompoes door de strot te duwen. Waarbij het komisch effect wordt verhoogd door de laconieke, staccato stijl van Tetteroo, die de personages iets naïefs en onbeholpens geeft.

`Confronterend' (een steekwoord op de achterflap) wordt Bozoc nergens – wat ook te danken is aan het stripachtige karakter van de hoofdpersonen en de namen van de bijfiguren (porno-acteur Bjorn Lickebaert, zangeres Brenda Butterscotch). Het boek is een zedenschets, vervuld van een lichtheid die gelukkig niet ondraaglijk wordt. De geest van Bordewijk mag er dan niet vaardig over zijn, die van Remco Campert is nooit ver weg.

Jan Tetteroo: Bozoc. L.J. Veen, 207 blz. ƒ32,90