Oefeningen in afhankelijkheid

Wie na zijn schooltijd in een vreemde stad is gaan studeren, begrijpt hoe ellendig, eenzaam en vergeten mensen zich in die fase van hun leven kunnen voelen. Maar stel dat iemand als blinde aankomt in zo'n onbekende stad, voor 't eerst zelfstandig, zonder enig houvast, oriëntatie- of herkenningspunt. Zoiets is onvoorstelbaar, maar dankzij de roman Achttienhoog van de blinde cabaretier Vincent Bijlo kan je er op zijn minst een indruk van krijgen.

Vincent Bijlo (1965) debuteerde in 1998 met Het instituut, een roman over een school voor blinden en slechtzienden waar het blinde jongetje Otto Iking zijn jeugd doorbrengt. Dit boos-hilarische relaas bevatte veel autobiografische elementen: Vincent Bijlo was zelf van zijn vierde tot zijn dertiende leerling van het in Bussum gevestigde Koninklijk Instituut tot Onderwijs van Blinden en de gebeurtenissen die hij uitvergroot en kolderiek beschrijft, heeft hij aan den lijve ondervonden.

In Achttienhoog is dezelfde Otto Iking inmiddels eerstejaars student. Hij staat erop zelfstandig te gaan wonen in een studentenflat. Een groter overgang is nauwelijks denkbaar: eerst het Blindeninstituut, vervolgens een middelbare schooltijd in een pleeggezin waar de overbezorgde moeder hem alles uit handen neemt en nu... een kamer op de achttiende verdieping van een studentenflat, die bij nader inzien wegens een op handen zijnde renovatie leeg blijkt te staan. De schrik slaat je om het hart. Het is maar helemaal de vraag of deze kwetsbare, zwaar gehandicapte jongen zijn eerste week in Utrecht zal overleven.

Blind zijn blijkt één grote oefening in afhankelijkheid te zijn en de blinde die dat niet accepteert zal zich voortdurend vernederd voelen. Zo ook Otto: ,,Ik kom alleen maar Otto hier afleveren', zegt zijn pleegmoeder tegen de mentor van zijn universitaire introductiegroep. Waarop het slachtoffer verbitterd denkt: ,,Otto, het pakketje dat ging studeren, dat was ik.'

Intussen zijn we er via Otto's waarnemingen allang achter dat de introductie een hel is, een hel van lawaai, van onverschilligheid en van gebrek aan mededogen. Aan de andere kant: het ziende volkje dat met hem optrekt kan het ook niet goed doen. Behandelen ze hem als `normaal' dan is hij letterlijk aan zijn lot overgelaten, doen ze zorgzaam dan voelt hij zich als een kind behandeld.

Een uitzondering is ene Zeeeno die hem voorstelt te deserteren uit de groep en in coffeeshop Mosrenda te gaan blowen. ,,Wat was Zeeeno toch een fijne man', denkt Otto. ,,Ik had nooit geblowd, maar dat kwam eigenlijk alleen maar omdat ik nooit de gelegenheid had gehad, en niet bij machte was op eigen kracht naar de coffeeshop te gaan, er was geen stokloopleraar op de hele wereld te vinden die mij de weg daarheen wilde leren.'

Helaas gaat Otto's inwijding in het `drugsgebeuren', zoals hij het zelf noemt, niet door. Het introductiegroepje ontfermt zich namelijk weer over hem en hij raakt in gesprek met het zwaar christelijke meisje Zwanneke. Volgens haar is Otto's blindheid een straf van God. De Here heeft zijn ouders willen laten boeten voor hun zonden. Verschrikkelijk is dat hij aan haar is overgeleverd, weglopen kan niet zonder begeleiding.

Alles zal alleen nog maar erger worden: zijn in braille uitgevoerde studieboeken (zoals de gebloemleesde Tachtigers die al enkele meters gangruimte beslaan) worden meegenomen door een in oud-papierhandelende zwerver, bij het aansteken van de gasoven in de keuken van zijn verlaten studentenflat verschroeit hij zijn wimpers en voortdurend is hij van alles kwijt.

Het zijn kleine gebeurtnissen die Bijlo beschrijft, anekdotes die iedere beginnende student kan vertellen, maar die zo benauwend zijn omdat het de ervaringen zijn van iemand die een gevangene is van zichzelf. Hij wordt bijvoorbeeld verliefd op een meisje dat bij hem blijft slapen. Maar hoe ze eruit ziet kan hij aan niemand vertellen, zelfs niet of ze grote of kleine borsten heeft, want dan zou hij ze moeten kunnen vergelijken met die van anderen.

Bijlo schrijft grappig, zoals ook zijn cabaretprogramma's die over zijn handicap gaan, vaak humoristisch zijn. Hij drijft de spot met zichzelf waardoor zijn (sporadische) zelfbeklag nooit melodramatisch is. Toch wordt in Achttienhoog (een nogal suicidale titel) geleidelijk aan de wanhoop zichtbaar. Want hoe hilarisch de val- en struikelpartijen, de studentikoze dronkenschappen en het studeren zonder boeken ook zijn, onafhankelijkheid blijft een illusie. Zo niet voor alle mensen, dan toch zeker voor blinden.

Tegen het einde van het verhaal adviseert een van de weinige vrienden die Otto gedurende de introductieweek heeft gemaakt hem te gaan schrijven. ,,Schep beelden met je oren, je vingers, je neus. Maak ons deel van je universum, dat zoveel interessanter is dan dat van ons.' Dat is een wijze raad die ook wel eens Bijlo's poëtica zou kunnen zijn. Taal is is immers, met muziek, bij uitstek het medium van de blinde, een universum dat hij volledig naar zijn hand kan zetten, onafhankelijk van wie dan ook ook. Otto beschouwt op dat moment zijn universum slechts als triviaal, bestaande uit bekotste boeken, vallende asbakken en andere, altijd in de weg staande obstakels. Die duistere benauwenis waarin het verschil tussen binnen- en buitenwereld lijkt te zijn opgeheven, kan Bijlo beeldend beschrijven, zoals hij met Achttienhoog opnieuw heeft bewezen, maar of dat genoeg is om zijn schrijverschap te blijven voeden, betwijfel ik. Het talent is er, de techniek, de taal, de humor en het inzicht, maar blind zijn alleen is op den duur als thematiek te beperkt. Wil Bijlo zich als schrijver ontwikkelen dan zal hij, hoe cynisch dat ook klinkt, zijn blikveld drastisch moeten verruimen.

Vincent Bijlo: Achttienhoog. De Arbeiderspers, 156 blz. ƒ32,50