Mijn Vader

Mijn vader, geboren in 1903, ging graag naar de kapper. De millimeters haar die per week groeiden, moesten geknipt worden vond hij. Ook schoor hij zich soms twee keer op een dag terwijl zijn wangen en kin nog glad waren van de eerste keer scheren. Voor de spiegel trok hij een strak gezicht om te kijken of er ergens nog een haartje was blijven zitten. Daarna pakte hij een blauw kammetje en ging dat borsteltje wat op zijn hoofd groeide kammen en deed er Berken Haarwater op. Dat was zo sterk dat de huiskamer waar we zaten opeens naar een bos rook met flink veel gekapte bomen.

Een keer per week ging mijn vader dus naar kapper Meijer. Op een dag zat hij daar met een groot wit tafellaken om zijn nek een dikke sigaar te roken. De kapper hield een hand op zijn hoofd en met de andere hand knipte hij zeker een centimeter boven het haar. Op dat moment liep mijn moeder net langs de kapsalon. Ze bleef even staan kijken, naar de mannen die zó druk aan het praten waren, dat ze haar niet zagen.

's Avonds toen we zaten te eten, stond mijn moeder opeens op. Pakte een schaar uit de keuken en knipte daarmee vinnig een paar keer boven mijn vaders hoofd. ,,Knip, knip knip', zei ze kwaad, ,,jullie vader gaat naar een hele dure luchtkapper.'