Mannelijke auteurs zijn geniaal

Dat vrouwelijke auteurs minder goede literatuur schrijven, is een achterhaald idee. Toch haalde Carel Peeters het in 1997 nog in zijn hoofd Het geheim van Anna Enquist te classificeren als een boek vol `damesromanswendingen'. Blijkbaar was de belangwekkende studie Een hoofdstuk apart (1992) van Erica van Boven aan hem voorbij gegaan. Daarin wordt aangetoond dat de kwalificatie `damesroman' sinds 1920 een beladen begrip is waarmee vrouwelijke auteurs buiten het literaire spel werden gezet. Maar wie iets opmerkt over dit soort kwalificaties, kan op diep zuchten rekenen. Men is het er in het literaire wereldje immers over eens dat het niet gaat om geslacht, maar om kwaliteit. Vrouwen moeten gewoon maar betere boeken schrijven, zoals de juryvoorzitter van de Generale Bank Literatuurprijs 1998 stelde, toen hem gevraagd werd waarom er geen schrijfsters waren genomineerd. Maar wat is het criterium voor literaire kwaliteit?

Marianne Vogel onderzoekt in haar wetenschappelijke studie Baard boven baard - over het Nederlandse literaire en maatschappelijke leven 1945-1960 welke gronden literatuurcritici in de vijftien jaar na de oorlog aanvoeren voor hun oordeel. Met vragen die op elkaar voortbouwen, bouw Vogel een helder betoog op. Onvermijdelijk zwemt de lezer zo in de fuik van de waarheid. Die waarheid komt onomstotelijk vast te staan doordat Vogel statistische gegevens (turven hoe vaak een uitspraak voorkomt) combineert met een kritische analyse. Bovendien besloot ze om niet alleen de receptie van vrouwelijke auteurs te onderzoeken (zoals gangbaar is bij vrouwenstudies), maar — en dat maakt haar studie zo overtuigend — ook die van de mannelijke auteurs.

Vogel begint, en dat is uitzonderlijk voor een literair onderzoek, met een maatschappelijke positiebepaling: wat was de rol van mannen en wat die van vrouwen tussen 1945 en 1960? De man behoorde strijdvaardige kostwinner te zijn en de vrouw verzoenende moeder en leidsvrouwe van haar echtgenoot. Met deze symbolische rollen in het achterhoofd bekijkt Vogel het literaire veld.

De analyses van 250 recensies, gelijk verdeeld over tien mannelijke en tien vrouwelijke auteurs, vallen wat ongelijkheid betreft wel mee: van beide geslachten zijn evenveel recensies door vooraanstaande recensenten gepubliceerd. Maar Vogel zoekt verder — naar de inhoud, naar de algemeen aanvaarde norm die de recensies verbergen. Steeds meer wordt duidelijk dat het vrouwelijke auteurschap en de rol van de vrouw in de literatuur wordt geproblematiseerd, terwijl de rol van de mannelijke auteurs buiten kijf staat. De schrijver is `de man die met scherpe blik en humor de tekorten aanwijst'. De vrouwelijke auteur heeft alleen nog het nakijken.

Zonder dat de critici uit die tijd expliciet vrouwen uit de literatuur weren, prijzen ze de literatuur als iets mannelijks, wat op hetzelfde neerkomt. Zo noemde Morriën de vrouwelijke auteur een `muze', wat Vogel direct de observatie ontlokt dat een muze `zelf geen kunst voortbrengt, maar anderen inspireert'. De vrouwelijke auteur verdwijnt zo uit beeld. Onverbiddelijk, maar nergens verontwaardigd legt Vogel de maatschappelijk-literaire patronen bloot. Wie na het lezen van Baard boven baard nog beweert dat tussen 1945 en 1960 geen (literair) sekseonderscheid bestond, steekt z'n kop in het zand.

Het boek confronteert ons ook met vandaag. Als we spreken over de schrijver kunnen we daarmee nog steeds man en vrouw bedoelen, terwijl dat niet geldt als we het over de schrijfster hebben. En waarom heeft de `damesroman' nog steeds zo'n negatieve lading? Vogel geeft hier geen antwoord op, omdat dit buiten haar onderzoek valt. Maar duidelijk is dat — nu zo'n stevig fundament is gelegd — dit boek aanspoort tot méér. Het vraagt ook om meer van de lezer zelf. Baard boven baard spoort aan tot nadenken en stelt vragen die men zelf moet beantwoorden. Critici als Peeters krijgen zo een nieuwe kans om hun seksegebonden literaire oordelen tegen het licht te houden. Vogel biedt namelijk een confronterende analyse van het begrip literaire kwaliteit, dat stoelde op mannelijke eigenschappen als denken in grote lijnen, (zelf)beheersing, een rationele instelling en agressieve hardheid. Agressieve hardheid was ook de kwaliteit die maakte dat mannelijke auteurs vernieuwend én geniaal waren, rollen die exclusief aan mannen waren voorbehouden.

Dat seksegebonden, maatschappelijke denkbeelden zich impliciet in de literatuurbeschouwing ophielden, heeft Vogel aangetoond, maar hoe zit dat vandaag? De vraag aan de lezers en de critici van nu is dus of hun invulling van de criteria voor literaire kwaliteit zoveel veranderd is. Om die vraag te kunnen stellen, moeten nog heel wat diepe zuchten getrotseerd worden.

Marianne Vogel: Baard boven baard. Over het Nederlandse literaire en maatschappelijke leven 1945 - 1960. Van Gennep, 296 blz. ƒ59,90

    • Fleur Speet