Leef met literatoren

In 1898 was Maxim Gorki een snel rijzende ster die een mateloze bewondering koesterde voor de acht jaar oudere Anton Tsjechov, op dat moment op Tolstoj na de beroemdste schrijver van Rusland. Hun briefwisseling begint in dat jaar met een beleefde brief van Gorki als begeleiding van een exemplaar van diens eerste verhalenbundel.

Het verschil tussen de twee is van het begin af aan duidelijk. Gorki is de leerling die mateloos dankbaar is voor elk advies en Tsjechov is de leraar die een zwak heeft voor zijn pupil, maar niet karig is met zijn kritiek. Het mooist zijn dan ook de brieven waarin Tsjechov schrijfles geeft. Al meteen in de tweede brief van 3 december 1898 geeft hij er een staaltje van.

Tsjechovs kritische opmerkingen volgen een vast stramien. Eerst wordt het slachtoffer uitbundig geprezen, vervolgens worden met een beleefde buiging enkele `kleine tekortkomingen' aangestipt die er in wezen op neer komen dat er geen spaan van het verhaal overblijft, om dan te eindigen in nieuwe loftuitingen.

Tsjechov had bij Gorki's debuut al door wat voor vlees hij in de kuip had. Gorki schrijft te `onbeheerst', zijn natuurbeschrijvingen zijn te lang, hij gebruikt te veel `mooie' woorden, zijn liefdesscènes zijn ongeloofwaardig (mede door al die `mooie' woorden). Tot slot volgt steevast de raad om uit het provinciale Nizjni Novgorod te verhuizen naar Moskou of Sint Petersburg om dichter bij het literaire leven te zijn: `U mag ruzie maken met de literatoren, ze niet erkennen, de helft van hen verachten, als u maar met ze leeft.'

Een jaar later gaat Tsjechov nog eens op Gorki's wat overladen stijl in: `als u de drukproeven corrigeert, schrapt u dan waar mogelijk de bijvoeglijke en bijwoordelijke bepalingen. U hebt zo veel bepalingen dat de lezer er moeilijk wijs uit wordt en zijn aandacht verslapt. Het is begrijpelijk als ik schrijf `de man ging op het gras zitten'; dat is begrijpelijk, omdat het duidelijk is en de aandacht niet nodeloos vasthoudt. Omgekeerd is het moeilijk te begrijpen als ik schrijf: `een lange man van gemiddeld postuur met een smalle borst en een rossig baardje ging geruisloos op het groene, reeds door voetgangers platgetrapte gras zitten, schuchter en angstig om zich heen kijkend' dat bezinkt niet meteen in het brein.'

Ook als Gorki in navolging van zijn grote voorbeeld toneelstukken voor het Kunsttheater schrijft krijgen deze weer de Tsjechov-behandeling. Prachtige stukken, o zeker, en sterke personages, maar waarom zijn alle interessante personages uit het vierde bedrijf verdwenen en wat doet een baron eigenlijk in een nachtasiel, en wat is dat voor inzinking in het derde bedrijf? `Nieuwe originele mensen laat u nieuwe liederen zingen op muziek die tweedehands aandoet, de personages houden zedenpreken, u bent voelbaar bang voor lange passages enz.' Een criticus als Tsjechov zou ook eens op de Nederlandse letteren van nu moeten worden losgelaten.

Gorki's brieven zijn echter in de meerderheid, ik schat dat ze 3 op 1 lopen. Ze zijn veel langer, spontaner, soms naïever en vaak regelrecht aandoenlijk. In de tijd van deze correspondentie (1898 tot Tsjechovs dood in 1904) stond Gorki lange tijd onder politietoezicht in Nizjni Novgorod, vanwege radicaal linkse sympathieën. Hij kon niet vrij reizen, zijn huis werd regelmatig doorzocht en we krijgen uit zijn brieven een goed beeld van de ongemakken die dit met zich meebracht.

Wanneer je zijn brieven leest, begrijp je meteen wat Tsjechov met zijn kritische opmerkingen bedoelde. Gorki houdt inderdaad van mooie woorden en gaat een cliché meer of minder niet uit de weg. Ondanks deze `kleine tekortkomingen' is hij een scherp observator getuige het levendige en venijnige verslag van een bezoek aan het landgoed van Tolstoj. Zijn beschrijving van de oude goeroe, diens onwillige echtgenote en de bekrompen Tolstoj-aanbidders die hij daar aantrof, is niet mals.

Het is opmerkelijk hoe bij een schrijver met zo'n hang naar het melodramatische als Gorki, het melodrama regelmatig het werkelijke leven binnendringt. Zo beschrijft hij gedetailleerd het stukgeschoten hoofd van een jongeman die met een jachtgeweer een einde aan zijn leven maakte en die Gorki `op de drempel van een woning' vond: `Even verderop ligt een deel van zijn voorhoofd en een stukje wang, daartussenin – een open oog.' In een andere brief beschrijft hij hoe hij is gaan kijken naar zijn buurman die zichzelf heeft opgehangen. Zulke dingen kom je in Tsjechovs brieven niet tegen.

Gorki laat in zijn brieven veel meer van zichzelf zien dan Tsjechov, die altijd enigszins ironisch en afstandelijk blijft. En Gorki is op en top een kind van zijn tijd, zowel in zijn stijl als in zijn denken. Zijn brieven kunnen alleen maar omstreeks 1900 zijn geschreven, als het ware, terwijl die van Tsjechov, naar stijl zowel als naar inhoud, verbijsterend modern zijn, of beter gezegd, tijdloos. Een fascinerende confrontatie, die door Anne Stoffel voorbeeldig is vertaald en geannoteerd.

Anton Tsjechov – Maxim Gorki: Brieven. Uit het Russisch vertaald door Anne Stoffel. Hoogland & van Klaveren, 183 blz. ƒ29,90