In Sprang-Capelle heerst verdriet na zinloze ruiming

De kalveren van Henk Rijken uit Sprang-Capelle blijken het mond- en klauwzeervirus niet naar Nederland te hebben gebracht. Verdriet na een zinloze ruiming.

Henk Rijken junior zit in zijn kantoor, hersteld van de ,,ontlading van de spanning'' die zich gisteren in huize Rijken heeft afgespeeld, nadat zij van de media te horen kregen dat hun kalveren die vijftien dagen geleden werden geruimd, niet aan mond- en klauwzeer hebben geleden. ,,Het waren niet onze kalveren uit Ierland. Het zijn de geiten of de schapen in Oene geweest.''

Rijken drijft samen met zijn vader een kalvermesterij. Ze hebben naar eigen zeggen nog voordat hun dieren uit Ierland via de inmiddels beruchte rustplaats in het Franse Mayenne naar het Brabantse Sprang-Capelle werden vervoerd, de autoriteiten ingelicht, uit vrees voor eventuele besmetting met het virus. Zestien dagen geleden, toen ze hoorden dat bij een afnemer in Oene mond-en klauwzeer was geconstateerd, hebben ze uit voorzorg de veearts gebeld. Henk Rijken: ,,Dat is een jonge vent die nog nooit de ziekte heeft gezien. Hij twijfelde. Hij zag een blaar op het gehemelte van een kalf en een lichte verhoging bij enkele kalveren. Ze hebben waarschijnlijk een griepje gehad. Een verkoudheid.'' Toen vorige week bekend werd dat bij een van hun afnemers in Beesd géén virus was aangetroffen, hadden ze het al vermoed. ,,Nu zijn onze vermoedens bevestigd.'' Rijken denkt de crisis te overleven. De kalveren staan doorgaans vier kilometer verderop achter het huis van zijn grootmoeder. Daar arriveren ze enkele dagen na hun geboorte om er een half jaar te blijven. ,,We hebben gemengde gevoelens'', zegt de 81-jarige vrouw over het nieuws dat het bedrijf gevrijwaard is van mond- en klauwzeer. ,,Het is een schilderij met een dikke zwarte rand.'' Ze heeft vannacht voor het eerst in twee weken een paar uur achter elkaar kunnen slapen. ,,Het was verschrikkelijk.'' Ze kreeg een dreigbrief gestempeld in Nieuwegein, maar ook veel steun uit het eigen dorp.

De gebroeders Jan en Piet de Rooy, die twintig handgemolken koeien hadden staan, waaronder ook een zeldzame brandrode, spanden een kort geding aan tegen de preventieve ruiming van hun beesten. Eerst wachten op de uitslag van de mond- en klauwzeertest, dan pas ruimen, was hun eis.

De rechter stelde hen in het ongelijk. ,,Hadden ze maar gewacht'', zegt Piet de Rooy nu. ,,Ze hadden naar ons moeten luisteren. Dan hadden onze koeien nog geleefd. We waren helemaal gek met ze. Ze gaven ons een poot. Ik vond dat we de plicht hadden om voor hen te strijden. Dat hebben we gedaan. De koeien zijn weg, maar mijn geweten is rein.''

Een andere boerin in Sprang zit te huilen aan de keukentafel. Voor haar liggen foto's van de koeien vlak voordat ze werden geruimd. Als het huilen is gestopt, zegt ze: ,,Het is een grof schandaal. Het ruimen was met geen pen te beschrijven. Ze komen hier de dam op en ze duwen je gewoon opzij. Je hebt niks te vertellen. Het was gewoon een razzia.''