Huilen op het Forum Romanum

Op haar zestiende debuteerde Liesje Schreuders voortvarend met de roman Aan de wilde kant (1996), over een vroegwijze veertienjarige, die naarstig op zoek was naar iets. Ze hoorde niet meer bij haar ouders, niet bij de krakers en niet bij de politiek. Ze wilde wel wat doen, maar alles leek al eens eerder gedaan. In het laatste hoofdstuk vroeg ze zich wat vertwijfeld af bij wie of wat ze zich dan wèl zou kunnen aansluiten.

De zondagsleraar, haar tweede roman, valt te lezen als een vervolg hierop. De wereld speelt inmiddels geen rol meer voor de ongeveer 18-jarige hoofdpersoon, die mij wederom een alter ego lijkt van de schrijfster zelf. Het enige wat nog telt voor dit nadrukkelijk naamloze meisje, is wat zich aan de waarneming onttrekt: de wereld van de geest. Alle aandacht gaat uit naar de vriendschappelijke betrekkingen die zij onderhoudt met een aantal klas- en leeftijdsgenoten, haar verhoopte zielsverwanten, die anders menen te zijn dan de anderen omdat ze gekweld worden door grote levensvragen. Het clubje heeft een soort leidsman: een leraar die in zijn vrije tijd lessen in cultuur aanbiedt aan wat hij de `voorhoede van een generatie' noemt. Hij wil zijn pupillen niet minder dan beschaving bijbrengen, het erfgoed overdragen. Poëzie, daar draait het allemaal om, de mythe, het ware verhaal.

In de praktijk komt er van een uitwisseling over cultuur niet veel terecht, omdat de zondagsleraar zelf de hele tijd aan het oreren is en het groepje is dan ook gedoemd uit elkaar te vallen. Het naamloze meisje neemt het op zich het wel en wee van het groepje te boekstaven, voor en na het eindexamen. Zijzelf is na het examen een jaar naar Rome geweest. Terug in Amsterdam, hier quasi anoniem `de stad' geheten, komt zij de zondagsleraar tegen. Met loodzware ernst halen ze urenlang herinneringen op.

Het is vooral de dramatische toonzetting die een potsierlijke indruk maakt, alsof hier wonderwat aan de orde komt. We zijn hier ver afgeraakt van het eenvoudige, maar ontwapenende debuut van Schreuders, waarin nog gewoon een verhaal kon worden verteld. Hier hebben we te maken met een soort nep-gebeurtenissen, onspectaculaire flitsen uit het leven van opgroeiende kinderen die zichzelf nogal de moeite waard vinden en graag eens een moeilijk woord voor zich uitmompelen. `Hybride' bijvoorbeeld. Of `mimesis'. Of die zich afvragen wat je beter kan doen dan huilend over het Forum Romanum te lopen. In de praktijk sjokken ze vooral van en naar feestje of kroeg en proberen ze vruchteloos zichzelf en de anderen te doorgronden. Maar ook zijn er momenten van geestelijke absentie. `Ik vond mezelf terug na sluitingstijd', heet het dan.

De literatuur heeft hier haar intrede gedaan, vrees ik, met vele, zelden functionele vooruit- en terugblikken, met halve mededelingen, schimmige suggesties en veel diepe gevoelens. `Ik heb zoveel woede in me', zegt de hoofdpersoon op zeker moment tegen vriendin Amanda, zonder nadere toelichting. Zodoende blijft het ook duister waarom, in weer een andere flits, een compleet servies moet sneuvelen. Ook haar vrienden hebben het enorm zwaar. Amanda bijvoorbeeld, kampt met `immense angst', al blijft het onduidelijk voor wie of wat. Lefson, zonder voornaam, schijnt de held van het verhaal te zijn. Iedereen kijkt althans, om redenen die het vermelden kennelijk niet waard zijn, nogal tegen hem op, hoewel hij Amanda (die `voor hem gaat') nog wel eens een dreun wil verkopen. Het allerzieligst is Thomas, die uiteindelijk opgenomen wordt in een psychiatrische inrichting. Hij heet `briljant' te zijn, maar helaas zegt hij niet zoveel, als hij niet al dronken is, zodat van zijn hoogbegaafdheid weinig te bespeuren valt. Na zijn verdwijning, duidelijk bedoeld als het dramatische zwaartepunt van de roman, zit de rest van het gezelschap rokend en koffiedrinkend bijeen. `Niemand keek elkaar aan', staat er dan. `We wisten hoe we eruitzagen. Aanraakbaar tot in ons middenrif. En decorloos.' Deze passage is typerend voor Schreuders' stijl: korte, zogenaamd veelzeggende zinnetjes, waar men geen steek wijzer van wordt. Waren ze verdrietig, de vrienden, waren ze boos of wanhopig? Voelden ze zich schuldig? Ik zou het niet durven zeggen en ik heb zo'n vermoeden dat de schrijfster het zelf ook niet weet.

Liesje Schreuders: De zondagsleraar. Nijgh & Van Ditmar, 155 blz. ƒ29,95