Hitlers gewillige buren

In Polen is een pijnlijk debat losgebarsten over de jodenmoord na een schokkend boek over een massamoord in een Pools dorp. Niet de Duitsers, maar de Poolse buren van de joodse inwoners waren daaraan schuldig. Vragen over collectieve verantwoordelijkheid en mythevorming.

Twee weken geleden werd in een Pools dorp het monument weggehaald dat herinnerde aan een gebeurtenis in de zomer van 1941, middenin de oorlogsjaren. De rauwe tekst op die herdenkingssteen luidde: `Plaats van een massamoord op de joodse bevolking. De Gestapo en Duitse politie verbrandden 1600 mensen levend'. Het monument is niet verwijderd omdat de omschrijving van de slachtoffers onjuist zou zijn. Want inderdaad werden op 10 juli 1941 vrijwel alle joodse inwoners van Jedwabne vermoord. Wat niet klopt is de aanduiding van de daders: niet de Duitse bezetters, maar de christelijke inwoners van Jedwabne zelf sloegen op die dag de hand aan hun joodse buren.

De onthulling van de ware toedracht van de episode heeft in Polen een schok teweeggebracht die nog lang niet is uitgewerkt. Het boek waarin die fatale dag wordt onderzocht, is geschreven door de in New York docerende en uit Polen afkomstige historicus, Jan T. Gross. Hij behoort tot de joden die emigeerden na de politiek gemotiveerde opleving van het antisemitisme in 1968. Nu de Engelse editie is verschenen, is het debat over de Poolse rol in de jodenvervolging ook in de internationale pers opgelaaid.

Gross is een nauwgezet historicus, maar zijn toon is ook die van een openbaar aanklager: een neutrale ordening van de feiten om vervolgens met des te meer overtuigingskracht de schuldvraag te stellen. Het roept herinneringen op aan de film Shoah van Claude Lanzmann, maar ook aan Goldhagens Hitlers gewillige beulen, hoewel het boek van Gross eens te meer duidelijk maakt dat het antisemitisme geen Duitse uitvinding is. Het verhaal dat Gross vertelt is verontrustend voor de Polen. In één klap worden mythes ondermijnd, die velen van hen over zichzelf koesteren. Helaas kan het ook, bij oppervlakkige lezing. heel wat van de negatieve beelden bevestigen die elders bestaan over Polen als een antisemitische natie.

Gross baseert zich op een ooggetuigenverslag van de joodse overlevende Szmul Wasersztajn, dat al in april 1945 werd opgetekend. Verder heeft hij geput uit de verslagen van het proces dat in 1949 tegen een vijftiental daders is gevoerd, waarbij er enkele gevangenisstraf kregen. Het proces is volgens Gross te haastig gevoerd, omdat de communistische machthebbers er geen belang bij hadden. Daarna is de hele affaire in de vergetelheid geraakt en toegeschreven aan de Duitse bezetters.

Om de precieze toedracht van de massamoord te begrijpen moeten we terug naar het Stalin-Hitler pact, waardoor Polen in tweeën werd gedeeld. De Duitse troepen trekken binnen op 1 september 1939, op 17 september bezetten de Sovjet-troepen hun deel van Polen. Jedwabne valt binnen die zone en leeft zo'n twintig maanden onder de bezetting van de Russische troepen, die terreur verbreiden door middel van deportaties en moord.Na de aanval van Hitler op de Sovjet-Unie, in juni 1941, komt het dorpje in Duitse handen. De Duitse troepen worden, zoals elders ook wel gebeurt, met enige opluchting ontvangen als bevrijding van de Russische onderdrukkers.

Met het begin van de Duitse overheersing ontstaat een vrijbrief voor wraak op collaborateurs met het communisme en wordt ook geweld aangemoedigd tegen de joodse bevolking. In die omstandigheden begint op 10 juli in Jedwabne de massamoord van de ene helft van de bevolking op de andere, nadat in naburige dorpen ook al gewelddadige uitbarstingen plaatsvinden. De joodse inwoners van het dorp zijn gewaarschuwd en vragen bescherming bij de bisschop. Deze weigert op het verzoek in te gaan en burgemeester Marian Karolak, verordonneert alle joodse inwoners zich te verzamelen op het dorpsplein. Opgejaagd door de andere inwoners, worden de joden bijeen gedreven. Een groep wordt opgedragen om het standbeeld van Lenin neer te halen en voorafgegaan door de plaatselijke rabbijn moeten ze met het loodzware beeld naar het kerkhof marcheren. Daar worden ze met knuppels, hooivorken en messen vermoord.

Dat is het begin van een geweldsorgie die acht uur zal duren en waaraan volgens de schatting van Gross ongeveer de helft van de volwassen mannen deelneemt. Na verloop van tijd worden de overgebleven joden – ontsnappen kan vrijwel niet omdat de dorpelingen alle uitgangswegen controleren – bijeen gedreven in een boerenschuur. Die wordt vervolgens in brand gestoken, waardoor nog eens meer dan duizend mensen omkomen.

Tijdens de massamoord houden de Duitsers zich op de achtergrond en filmen de geweldsuitbarsting. Er zijn tegenstrijdige berichten over het aantal Duitsers dat die dag aanwezig is. Gross concludeert dat het er niet meer dan een handvol zijn geweest. Of er Duitse orders waren is ook onduidelijk. Gross noemt dat `een academische vraag' gezien het verdere verloop van de gebeurtenissen, die een grote mate aan eigen initiatief laten zien. Het enige lichtpuntje is het verhaal van een Poolse vrouw die een aantal joden laat onderduiken in haar woning en ze zo redt. Maar zelfs dat heeft een wrang vervolg, want Gross vertelt dat deze Poolse familie na de oorlog door de andere inwoners wordt weggepest en uiteindelijk naar Amerika uitwijkt. Daarmee eindigt het verhaal hoe buren tot beulen werden.

De verhouding van Polen en joden in de oorlogsjaren heeft altijd in de schaduw gestaan van de kneveling van het land door de Duitse en Russische dictaturen. Veel Polen verdachten hun joodse medeburgers van collaboratie met de Russische bezetter en dat argument werd vervolgens als rechtvaardiging gebruikt van wraakacties na de komst van de Duitsers. Dat het beeld van een joods-communistisch verbond – de zogenaamde ´Zydo-kommuna – nog steeds rondwaart in het collectieve geheugen blijkt wel uit sommige reacties op Neighbours. Zo zei oud-president Lech Walesa dat hij best de Poolse schuld wilde erkennen, maar dat dan eerst de joden hún schuld voor de collaboratie met de Russen tegenover de Poolse bevolking moesten uitspreken.

Gross heeft in Jedwabne overigens helemaal geen aanwijzingen gevonden voor zulke collaboratie. Integendeel, uit de verhoren van de daders in 1949 blijkt juist dat verschillende van deze niet-joodse Polen voor de NKVD hadden gewerkt, de Russische geheime dienst. Gross komt tot een algemene hypothese: `eerder antisemieten dan joden hebben een instrumentele rol gespeeld in de vestiging van het communistische regime na de oorlog'. Juist degenen die zich in de oorlog aan enigerlei vorm van medeplichtigheid hadden schuldig gemaakt, bleken manipuleerbaar in de latere Volksrepubliek.

Niemand zal ontkennen dat de Poolse bevolking meer dan welk ander volk heeft geleden onder de bezetting. Het Duitse bezettingsregime was van een geheel andere orde dan in het Westen. De oorlog tegen de minderwaardige Polen beoogde kolonisering en de stelselmatige vernietiging van de elite van het land. De brutaliteit van de oorlogsvoering eiste het leven van ongeveer twintig procent van de bevolking: zes miljoen burgers kwamen om, van wie de helft een joodse achtergrond had. De Britse historicus Norman Davies spiegelt in zijn standaardwerk God's Playground: a history of Poland (1981) het lot van meerderheid en minderheid: `De vraag stellen waarom de Polen zo weinig hebben gedaan om de joden te helpen is net zoiets als de vraag stellen waarom de joden niets hebben gedaan om de Polen bij te staan'. Wat Neighbours voor een Pools publiek echter duidelijk heeft gemaakt is hoe slachtoffers tot daders kunnen worden. Gross is wel gekritiseerd omdat hij de context van bezetting, en dus van de Duitse dreiging, niet voldoende zou hebben meegewogen. Maar wat hij doet snijdt dieper. Jedwabne was geen geïsoleerd voorval: de bezetting heeft geleid tot verloedering en demoralisering in de Poolse samenleving en zo konden deze moorden uit eigen beweging plaatsvinden. Het waren niet enkel de zogenaamde szmalcownicy – beruchte Polen die buiten het getto wonende joden chanteerden met het dreigement hen aan te geven – die vuile handen maakten. De combinatie van hebzucht, vooroordeel en geweld was dieper doorgedrongen. De geschiedenis moet herschreven worden, aldus Gross, want in de collectieve biografie van de Polen ligt `een grote leugen' verborgen, die maakt dat alles wat daarna kwam niet authentiek was.

Wie zich herinnert hoe hardnekkig de oorlogsmythes in Nederland jarenlang zijn geweest en tot op zekere hoogte nog steeds zijn, zal wel enig begrip willen opbrengen voor het Poolse zelfbedrog. De geschiedenis van het land, ingesloten tussen de machtige buurlanden Duitsland en Rusland, is ook zoveel dramatischer. Vanaf het einde van de achttiende eeuw werd het herhaaldelijk opgedeeld tussen deze grootmachten. Daarna werd Polen het slachtoffer bij uitstek van de twee totalitaire systemen die de twintigste eeuw voortbracht.

In die grote gewelddadige geschiedenis hoeft het niemand te verbazen dat het gevoel van eigen verantwoordelijkheid geen wortel schoot in Polen. Kazimierz Brandys gebruikt in zijn Warsaw Diary een prachtig beeld: `Op een goede dag in de winter ontdekken we dat het heeft gesneeuwd. We vragen ons af: is dit onze sneeuw? Zijn we op enigerlei manier verplicht de rommel op te ruimen? Want het is nooit helemaal uitgesloten dat de sneeuw van hun is; door de Russen aan ons opgelegd in het kader van de vriendschap. Moeten ze hem dan niet zelf wegvegen?'

Het boek van Gross is een precieze uitdaging van dat zelfbeeld. Hij zoekt naar eigen verantwoordelijkheid in tijden van bezetting. Wat men hem wel kwalijk kan nemen, is dat hij eerdere zelfkritiek zo weinig nadruk geeft. Daarin lijkt hij enigszins op Goldhagen, die ook de suggestie wekt dat alle onderzoek bij hem is begonnen. Het is niet waar dat er alléén maar is weggekeken, al was dat na de oorlog de overheersende neiging bij de meeste Polen. Al voor de val van de Muur werd er gedebatteerd over de eigen houding tegenover de vervolging en vernietiging van het jodendom in Polen.

Men hoeft enkel te denken aan het beroemde artikel van de literatuurcriticus Jan Blonski uit 1987 in het katholieke weekblad Tygodnik Powszechny (door Gross kort aangestipt in een voetnoot). `We hebben de joden in ons huis opgenomen, maar ze naar de kelder verwezen. Als ze in de kamer wilden komen, mocht dat op voorwaarde dat ze ophielden joden te zijn [...]' Ja, schreef Blonski, we hebben medeschuld aan wat er met de joden is gebeurd. Of denk aan één van de dissidenten van het eerste uur, Jan Jozef Lipski, die in 1982 schreef: `Toch denk ik dat de oorzaak waarom de meerderheid van de Poolse maatschappij onverschillig is gebleven ten opzichte van de uitroeiing van de joden, onder meer ligt in de ravages die het vooroorlogse antisemitisme heeft aangericht'. Zulke conclusies oogstten kritiek, maar tonen wel aan dat er anderen waren die al eerder kritische vragen stelden.

Over de weging van morele verantwoordelijkheden in tijden van vreemde overheersing wordt veel en hartstochtelijk van mening verschild. Wel kan men zeggen dat Gross met zijn `gewillige buren' scherper dan zijn voorgangers niet alleen nalatigheid, maar ook betrokkenheid aan de orde stelt. Hoe pijnlijk die vragen zijn wordt goed duidelijk uit de reactie van één van de belangrijkste onafhankelijke denkers in het hedendaagse Polen, Adam Michnik, hoofdredacteur van de kwaliteitskrant Gazeta Wyborzca. Michnik heeft als Poolse dissident met een joodse achtergrond, al eens gewezen op zijn gemengde gevoelens. Als verdediger van een open en tolerante Poolse samenleving, zegt hij dat het antisemitisme als houding `anti-Pools' is. Daarom verdraagt hij de blik van de buitenwereld niet, ook niet in de vorm van de joodse kritiek, die zijn land vereenzelvigt met die traditie van antisemitisme. Volgens Michnik is dat beeld van Polen een alibi voor het Westen geweest tijdens de conferentie van Jalta in 1945 om het land te verraden en toe te delen aan de Russische invloedssfeer (Poland and the Jews, 1995).

Het is een ambivalente positie: moedig criticus in eigen land en verdediger van dat land tegenover kritiek van de buitenwereld. Maar waarom gebruikt Michnik de term `anti-Pools'? Ook in zijn reactie op het boek van Gross (New York Times, 17 maart) wordt die innerlijke strijd zichtbaar. Eerst, schrijft Michnik, kon hij helemaal niet geloven wat in Neighbours wordt verteld, hij was ervan overtuigd dat Gross zich op een verkeerd spoor had laten zetten. Een onthullende opmerking, die mede ingegeven lijkt door zijn diepe weerzin tegen de beeldvorming over Polen, die het land zo kwetsbaar maakt.

Maar ook nadat hij de juistheid van het relaas van Gross heeft geaccepteerd, noemt Michnik de notie dat de Polen een collectieve verantwoordelijkheid voor de holocaust dragen `absurd': `De Poolse natie bracht geen Quisling voort, geen enkele Poolse legereenheid streedt aan de zijde van de Duitsers. In Polen ontwikkelde zich een brede verzetsbeweging'. En toch, schrijft Michnik, voel ik me verantwoordelijk voor wat er is gebeurd in Jedwabne. Niet voor de moorden, maar wel voor het vergeten van die moorden. `Ik heb me door een falend voorstellingsvermogen, door tijdgebrek, door opportunisme en door geestelijke luiheid een paar vragen niet gesteld'. Het geheugen is selectief en dat neemt hij zichzelf kwalijk.

De vragen die Michnik zich stelt, waar men de defensieve kanten gemakkelijk van ziet, staan niet op zichzelf. Het zelfonderzoek dat al vóór 1989 begon, krijgt nu pas in een democratische omgeving de kans om door te dringen tot een bredere openbaarheid. Ondanks de afwerende reactie in sommige kringen, laten het debat over het boek van Gross en de bereidheid van de regering en president om deze oorlogsmisdaad ten volle te erkennen en te herdenken, zien dat in Polen de herwaardering van de eigen geschiedenis volop gaande is.

En niet alleen in Polen, want het debat over Jedwabne past in een Europees patroon. Ook andere buurlanden van Duitsland zijn immers de geschiedenis van hun oorlogsjaren aan het overdenken. In Frankrijk de collaboratie van het Vichy-regime, in Tsjechoslowakije de bloedige wraak op de Sudetenduitsers, in Groot-Brittannië de morele rechtvaardiging van de bombardementen op steden als Dresden en in Nederland de vraag waarom hier zoveel joodse burgers omkwamen en de overlevenden na de oorlog op zo weinig begrip konden rekenen.

Het onderzoek naar eigen verantwoordelijkheden is gaande in alle buurlanden en treedt langzaam uit de schaduw van de onvergelijkbaar grotere misdaden van Hitler-Duitsland. Die gedeelde zoektocht maakt een veel waarachtiger vorm van toenadering mogelijk in Europa. Daarom zou het onrechtvaardig zijn wanneer het boek van Gross leidt tot een bevestiging van clichés over Polen, die het land opnieuw isoleren.

Het relaas van Jedwabne is deel van een bijzondere geschiedenis, maar verwijst naar een algemene ervaring. De scènes van foltering en verbranding op het dorpsplein zijn van alle tijden en maken volgens Gross een `archaïsche laag' in de holocaust zichtbaar, die is verdonkeremaand door de gedachte dat de vernietiging van het jodendom past in de moderne, industriële tijd. De holocaust is echter een heterogeen verschijnsel: het was een systematisch georganiseerd plan en tegelijk `een mozaïek van onderscheiden gebeurtenissen, geïmproviseerd door plaatselijke beslissers en draaiend rond handelen dat niet afgedwongen was', aldus Gross. De schuldverdeling wordt minder eenvoudig en maakt zo de breekbaarheid van alle beschaving zichtbaar. Dat zelfonderzoek moet een cultuur van herdenken voortbrengen die verder gaat dan de eindeloze bezwering `nooit weer'.

Jan T. Gross: Neighbours. The Destruction of the Jewish Community in Jedwabne, Poland. Princeton University Press, 216 blz. ƒ58,85

    • Paul Scheffer