Het onvindbare hospitaal

De tweebaans autoweg van Skofja Loka naar Cerkno, 25 kilometer ten noordwesten van de Sloveense hoofdstad Ljubljana, slingert zich door nauwe kloven en steile rotsformaties. Even buiten Cerkno, verscholen in dichte wouden, ligt het partizanenhospitaal `Franja', een van de best bewaarde geheimen van het Joegoslavische verzet in de Tweede Wereldoorlog.

Na de Duitse verovering van de Balkan ontstond al snel een georganiseerde guerrilla. De Joegoslavische partizanen ondernamen gewapende aanvallen op de bezetter. Aan beide zijden werden grote verliezen geleden. Aanvankelijk konden de partizanen hun gewonden nog wel onderbrengen in dorpjes of in afgelegen boerderijen. Maar de zwaargewonden vormden een groot probleem. Opname in ziekenhuizen was te riskant; de bezetters stroopten deze geregeld af. In 1943 werd op gezag van het Commando van de Sloveense Partizanen Eenheden begonnen met de bouw van een `onvindbaar hospitaal' in de Pašica-kloof.

En het is inderdaad onvindbaar. Een klein pijlvormig bordje, `Franja', aan een boom wijst in de richting van een paadje langs een beek te midden van zwaar geboomte. Zou dit het pad zijn dat naar het voormalige ziekenhuis leidt? De kloof wordt steeds nauwer, de wanden komen steeds dichter bijeen tot deze na zo'n zeshonderd meter vlak bij elkaar liggen. Zwaar loopt het pad omhoog om vervolgens over te gaan in rotsblokken, veelal alleen beklimbaar met behulp van de in de wanden aangebrachte touwen. Dan over enkele houten bruggetjes die boven de kolkende beek zijn gebouwd en ten slotte enige houten ladders op. Eindelijk is daar het hospitaal: veertien houten barakken die schots en scheef in de kloof staan. Onder de gebouwtjes door bruist de beek. Hoe is het mogelijk dat hier een compleet ziekenhuis is verrezen?

Al het materiaal voor de bouw werd in het grootste geheim vervaardigd in de omliggende dorpjes en 's nachts in onderdelen met behulp van paarden en ossenwagens naar de ingang van het bos getransporteerd. Overdag droegen tientallen vrijwilligers de onderdelen langs het steile pad omhoog. Balk voor balk, raam voor raam, deur voor deur. Dan nog negentig bedden, ook in onderdelen.

Het hospitaal kreeg een keuken met een groot ijzeren fornuis: ontilbaar – en toch lukte het. Voorts een badruimte met een oude badkuip. Later werd in onderdelen een kleine centrale aangevoerd. Elektriciteit kon daarmee op waterkracht worden opgewekt.

Het hospitaal werd uitgebreid, een operatiekamer werd toegevoegd, alsmede een kleine röntgenafdeling. Medicijnen werden op de vijand buitgemaakt. Later zorgden geallieerde vliegtuigen voor het droppen van medicijnen. Het hoofd van de medische dienst was dokter Franja Boje. Haar voornaam is blijvend verbonden aan dit hospitaal.

Het grootste gevaar school in het uitlekken van alle activiteiten. Al spoedig waren er ruim honderd gewonden ondergebracht. Moeilijk was het om de transporten ongezien voor de vijand uit te voeren. De gewonden werden eerst verzameld in het gebied van Novaki en 'snachts op brandcards door de bossen gedragen, langs glibberige paden tot het hospitaal werd bereikt. Alle voetsporen werden 'smorgensvroeg uitgewist.

De boeren uit de wijde omgeving waarschuwden als er vijandelijke troepen in het gebied kwamen. De partizanen waren inmiddels overgegaan tot het aanleggen van een verdedigingslinie rond de Pašica-kloof: 14 machinegeweergroepen, 50 man met geweren en vijf zware mitrailleurnesten. De toegang tot het hospitaal vanuit het noordoosten werd afgegrendeld door een mijnenveld.

In april 1944 drongen sterke Duitse eenheden het gebied rond Cerkno binnen. Er dreigde groot gevaar. De gewonden werden naar grotten gesleept, de toegangen werden gecamoufleerd en zwaar bewapende partizanen namen posities in rond de kloof en de bergtoppen. Het bleef angstig afwachten tot na drie dagen het sein kwam dat de vijand de aftocht blies. Maar er werd te vroeg gejuicht. Via een andere route probeerden de Duitsers alsnog het hospitaalgebied te bereiken. Zware gevechten braken uit; de strijd duurde enkele uren. De Duitsers durfden niet dichter bij de kloof te komen en trokken zich terug.

In maart 1945 werden nieuwe pogingen ondernomen en werd het gehele gebied uitgekamd. Duitse patrouilles waren de kloof dicht genaderd. Toch konden zij het hospitaal niet bereiken. Luchtaanvallen waren zinloos: vanuit de lucht was de kloof onzichtbaar. De vijand volstond met het platbranden van de naburige dorpjes, maar durfde `Franja', waar zich op dat moment 113 zwaargewonden bevonden, niet aan te vallen.

De geallieerde luchtmacht zorgden vanaf maart 1944 voor geregelde bevoorrading met voedsel en medicijnen. Onder de 522 gewonden die in `Franja' werden opgenomen, bevonden zich ook enkele Amerikaanse vliegers; voorts Franse en Poolse ontsnapte krijgsgevangenen en een aantal Italiaanse overlopers.

De houten barakken zijn na de oorlog bewaard gebleven. Een enkeling komt er nog wel eens kijken. Ik sta te midden van de gebouwtjes, de rotswanden torenen als kathedralen omhoog. De dichte bomen maken het hospitaal onvindbaar. De Tweede Wereldoorlog is al meer dan een halve eeuw voorbij. Het Joegoslavië van Tito bestaat niet meer. Maar als ergens de grootsheid van het Joegoslavische partizanenverzet nog voelbaar is, dan is het hier.