Het kronkelt onder elke rechte lijn

`Grommend pompende saxofoonkoren, gehamerde sforzando-akkoorden. Andriessens muze is een meid van de straat.' Componist Rob Zuidam schrijft deel 5 in een zoektocht naar de kern van de Nederlandse cultuur.

Een hang naar ordening, duidelijk afgebakende vlakken. Een behoefte om de omgeving te benoemen, vorm te geven en zodoende te beheersen. Niet sober maar veeleer van een uitbundige nijver- en properheid, die eerder verontrustend dan kil aandoet. Mondriaan en Ma Zuidam, twee iconen op het altaar van mijn Nederlandse ziel. Bij het bekijken van de overbekende composities in primaire kleuren, verschijnt als vanzelf mijn moeder in mijn gedachten. Ze balanceert op een trapleer en zeemt de ramen, de damp slaat af van haar emmertje sop. Vervaarlijk helt ze over, om met energieke, gedecideerde bewegingen ook het bovenlicht in de uiterste hoek te kunnen bereiken. Witte stapelwolken jagen langs de hemel en worden gereflecteerd in de grote ramen, strak omkaderd door kozijnen. Een doorzonwoning in de verwachtingsvolle desolatie van een nieuwbouwwijk. `Opgeruimd staat netjes' luidde haar montere devies, en welbeschouwd zou dit zo als motto boven Mondriaans schilderijen kunnen prijken. Beiden ondernamen verwoede pogingen om de natuur uit te bannen. Mondriaan schilderde de bladeren wit van de bloemen die in zijn atelier in een vaas stonden. Mijn moeder voerde haar veldslag tegen onzichtbare legers microben, totdat ze 's avonds, zo tijdens het acht uur Journaal, begon te knikkebollen in haar stoel. Mondriaans kruistocht tegen alles wat krom en rommelig is, oogt heel streng en doordacht, maar is in wezen puur intuïtief, gevoerd met gevoel en een paar plakbandjes. De rationaliteit die zijn rechtlijnigheid tentoonspreidt, staat in merkwaardig contrast met de wazigheid van het gedachtegoed dat eraan ten grondslag ligt: een vreemdsoortige mix van antroposofie, hegeliaanse dialectiek, theosofie en occultisme. Mondriaan bezocht graag lezingen van Rudolf Steiner en was een tijd lang in de ban van dr. M. H. J. Schoenmaekers, een geflipte Larense `christosoof' annex orakel. Uit diens Beginselen der beeldende wiskunde (1916): ,,Een volstrekte cirkellijn is geen volstrektheid van eerste orde. Een volstrekte cirkellijn is volstrekt als lijn. Maar zij is níet volstrekt zonder eenige beperking, zij is niet volstrekt als oneindige lijn, zij is geen volstrektheid van eerste orde, zij is niet de volstrekte lijn. De volstrekt-rechte lijn is `de' volstrekte lijn.'' Onder elke rechte lijn schuilt een kronkel.

Misschien bestaat een culturele identiteit wel uit een onvoorstelbaar lange aaneenschakeling van clichés, zoiets als een DNA-structuur, die alle denkbare woordcombinaties, omstandigheden, voorkeuren, gewoontes en ervaringen omvat. Naarmate deze elkaar meer overlappen, voelen we ons meer met elkaar verwant. Alle volkeren hebben een culturele identiteit, dus wij ook. Als dat niet zo zou zijn, dan zou ons dat paradoxaal genoeg volslagen uniek maken. Waar taal vaak voor een natuurlijke afbakening van een culturele identiteit zorgt, lijkt muziek juist geschapen om deze begrenzingen te kunnen overstijgen. Toch kan ik op muzikaal gebied zo een aantal dingen opnoemen die specifiek Nederlands zijn.

De stoere, branievolle sound van Louis Andriessens muziek kon alleen maar hier ontstaan. Waar de procédés van de minimal music bij Steve Reich veelal naar een glanzend gepolitourde limousine met chauffeur leiden, gaat de muziek bij Andriessen ronken. Grommend pompende saxofoonkoren, gehamerde sforzando-akkoorden. Zijn muze is veel meer een meid van de straat, achterop de brommer van één van die snotjongens die altijd bij snackbar Plaza de Mayo rondhangen. Een stuk als De Staat (1975) ontstond hier omdat zich hier de juiste voedingsbodem ervoor bevond. De juiste ensembles om het stuk uit te voeren, deels door Andriessen zelf in het leven geroepen, bevonden zich hier. En er bestond een geïnteresseerd publiek voor. Louis Andriessen heeft het stuk natuurlijk gewoon zelf verzonnen, waarvoor hulde, maar de muzikaal-klimatologische omstandigheden waren uiterst gunstig, de tijd was er als het ware rijp voor. Typisch Nederlands zou ik ook willen noemen de pesterigheid en het dwarsige van de muziek van Guus Janssen en Willem Breuker. Motiefjes die niet op gang willen komen. Nog maar weer eens opnieuw beginnen, om dan op een nog veel glorieuzere manier uit de bocht te vliegen. En bij een derde poging plotseling in een voorttollende razernij ontsteken, die de rest van het orkest in een akoestische massapsychose doet ontvlammen. Muziek die een tongue in cheek-achtige distantie lijkt aan te nemen, om vervolgens met volle overgave in de gordijnen te gaan hangen. De combinatie van gecomponeerde en geïmproviseerde elementen in muziek is zeker niet uitzonderlijk. Het niveau waarop dat in Nederland gebeurt is dat wel. En vooral ook de diversiteit van de wegen die bewandeld worden. Nergens wordt een blues zo gefileerd als hier. Gepekeld, gekookt en ingedampt tot slechts de essentie overblijft, die in de verste verte niet meer klinkt als een blues, maar naar melancholie op moleculair niveau. Op het breukvlak van geïmproviseerde en gecomponeerde muziek is er in Nederland de afgelopen decennia een traditie ontstaan die het denken over muziek een geweldige impuls heeft gegeven. Muzikale conventies worden niet alleen doorbroken, maar door de muzikanten ook steeds weer opnieuw verzonnen. Mischa Mengelberg en Han Bennink kunnen wellicht gelden als de oervaders van deze traditie om met tradities te breken. Maar ook iemand als Theo Loevendie, die zich met wereldmuziek bezighield nog voordat het woord was uitgevonden, is in dit opzicht exemplarisch. Zijn speurtochten naar onbekende muziekculturen hadden een invloed op zijn improvisaties als jazzmuzikant, maar vonden evenzogoed hun weg in zijn opera's en zijn composities voor symfonieorkest.

,,Het typische van de Nederlandsche muziek ligt in het iets minder onderscheiden der fijnste toonen, wat zijn oorzaak vindt in het door de vochtige landstreek minder gespannen trommelvlies'', aldus Mr.J.C.W.le Jeune in zijn Letterkundig overzigt en Proeven van de Nederlansche Volkszangen (1828). De fiducie die Nederlanders in hun muzikale verleden hebben is over het algemeen gering, hun kennis erover eveneens. Zo'n honderd jaar terug was het hier allemaal polder en toen kwam het Concertgebouw, luidt grofweg de opvatting. Een muzikaal onderlegde enkeling heeft nog wel eens van Sweelinck gehoord. Maar zoals hoogbegaafde voetballers heden ten dage uitzwermen naar zuidelijker oorden, trokken in de 16de eeuw componisten uit deze streken richting Italië. Aldaar bekleedden ze aan de hoven de meest vooraanstaande posities en, nog belangrijker, vervaardigden er de meest schitterende muziek. Adriaen Willaert (1490-1562) was de Maestro di cappella van de San Marco in Venetië, waar hij missen en motetten componeerde. En passant vond hij ook de dubbelkorigheid uit en experimenteerde hij met zijn leerling Nicolà Vincentino op het arciorgano een soort superorgel met eenendertig toetsen per octaaf en zes manualen, dat was ontworpen om alle toonschakeringen van de oude Griekse toonladders te kunnen voortbrengen. Giaches de Wert (1535-1596), ofwel Sjaak van Weert, was verbonden aan het hof van Mantua, waar hij met behulp van de uitmuntende zangers die hem daar ter beschikking stonden, de madrigaalkunst tot grote hoogte wist te brengen. Zijn opvolger, Claudio Monteverdi, belandde er in een gespreid bed en beschikte daarnaast zelf ook nog over het nodige talent. Jacob Obrecht, rond 1451 geboren in Bergen op Zoom, had minder geluk toen hij in 1504 in Ferrara aankwam. De pest was net uitgebroken en werd ook hem fataal.

Door onze geografische ligging kwamen nieuwe stijlen meestal vanzelf onze kant opdrijven. Opera's werden in Amsterdam uitgevoerd sinds 1617, in de Stadsschouwburg aan de Keizersgracht. In 1637 werd er verbouwd, vanwege de overweldigende toeloop. In Rotterdam was de Hoogduitsche Opera in de 19de eeuw vermaard, mede vanwege de Wagner-uitvoeringen van Hermann Levy, die ook de première van Parsifal in Bayreuth voor zijn rekening had genomen. Shakespeare werd in ons land al rond 1625 opgevoerd, door hier gelegerde Engelse theatertroepen. Het puik van zoete kelen (naar Vondel) is een verzameling van 10 cd's met daarop een overzicht van honderd jaar Nederlandse zangkunst, vanaf de eerste grammofoonplaten tot een jaar of wat geleden. Wie het beluistert zal versteld staan. Niet alleen vanwege de delicate toon die men vaak weet te treffen, helder, ingetogen, wars van valse pathos en volledig vanuit de muziek gedacht, de muziek ademend. Maar ook door de stortvloed van namen die voorbijkomt, een parade van grootheden als Erna Spoorenberg, Aafje Heynis, Frans Vroons, Elly Ameling, la Deutekom, Jo Vincent en ga zo maar door. Zouden we in Nederland dan warempel een traditie op het gebied van de zangkunst hebben?

Bi den here so was muzike

in hemelrike

eer hi Adam 't lijf inblies

(Anoniem)

Volgende week begeeft Hafid Bouazza zich in het Holst van Nederland

Zie ook `Tegenspraak', www.nrc.nl