Filosofie van de sloop

Het vliegveld Tempelhof in Berlijn is een paleis voor de luchtvaart, zoals oude stations paleizen voor de spoorweg zijn. Het ligt in de stad. Het maakt de indruk dat het gebouwd is op grondslag van het denkbeeld dat vliegtuigen eigenlijk een soort treinen waren en dat hun passagiers als reizigers op een station moesten worden behandeld. Bestaat Tempelhof nog, wordt het nog gebruikt? Als het is afgebroken, is daarmee een monument verloren gegaan.

Nu dreigt gedeeltelijke afbraak van de TWA-terminal op Kennedy Airport. Die is gebouwd door Eero Saarinen, in gebruik genomen in 1962 toen de grote straalvliegtuigen in dienst werden genomen. De nieuwe glorie in het luchtvervoer eiste een nieuw soort paleis, en dat is het geworden. Destijds zal het wel `futuristisch' zijn genoemd, en dat is het nog, met zijn schelpvormige constructies, en vooral de lange, lage buisvormige gangen. Daar te lopen gaf je al een kosmopolitisch gevoel. Intussen is het er een verwaarloosde, versleten bende geworden, maar daardoor is de majesteitelijkheid van het ontwerp niet aangetast. Als de internationale gemeenschap van architecten niet snel in het geweer komt, zal dat binnenkort wel gebeuren. Een groot deel van de terminal staat op de nominatie om gesloopt te worden, ook al is het gebouw op de monumentenlijst gezet. Heel JFK is in een staat van vernieuwing. Grote delen van het TWA-gebouw moeten wijken voor de uitbreiding van United Airlines. In het vuur van meeslepende vernieuwingen wordt op een oud pandje niet gekeken.

Het lijkt me moeilijk voor het luchtverkeer gebouwen en faciliteiten te ontwerpen die in grootsheid de gemondialiseerde wereld eer aandoen. Het mooiste van Schiphol vind ik de verkeerstoren, de grote hangars aan de overkant van het vliegveld en het museum, Aviodome. Daarna komt er een ruimtelijk systeem dat erop berekend is zoveel mogelijk mensen binnen de kortste tijd in de vliegtuigen te krijgen. Luchthavens doen meer denken aan fabrieken van een bio-industrie dan aan toegangspoorten tot de wijde wereld. De luchtvaartmaatschappijen bieden, zoals ze zeggen, een `product' aan. Maar niet de reis is het product. Dat is de passagier. Snel gevoederd, snel onderzocht op zijn identiteit en gevaarlijke voorwerpen in zijn bagage, het mond- en klauwzeer van de wijde hemel, snel en systematisch door de slurf de vliegende container ingedreven, daar door de stuwadoors volgens weer een ander systeem met 300 tot 400 tegelijk tot zittende kistkalveren bevorderd, en dan mag het product van geluk spreken als het zonder trombose zijn bestemming bereikt. Daar lijkt voor een architect geen eer aan te behalen.

Een jaar of veertig geleden werd er ook al flink door de lucht gereisd, en toch is dit TWA-gebouw – toen voorbeeld van elegante functionaliteit – nu van een ander tijdperk. Daarover denkend ging ik naar Coney Island om de grote roller coaster, de uit hout opgetrokken Thunderbolt te bekijken. Een indrukwekkend gevaarte, al jaren niet meer in gebruik, zodat het kaartjeskantoortje begroeid was als het kasteel van Doornroosje, en struikgewas en bomen op de achtbaan wortel hadden geschoten. Coney Island, het oudste Mekka van de moderne pret, was op deze gure ochtend bijna verlaten. Een paar Russen waren bezig de onwaarschijnlijke verzameling spullen van hun uitdragerij uit te stallen. Pizzahutten en MacDonald's lagen nog achter het pantser van hun rolluiken. Het straatbeeld was een panorama van vuil en roest. Dat, heb ik altijd gevonden, hoort zo. In deze omgeving komt het Pompei van de pret het best tot zijn recht.

Maar waar was de Thunderbolt? Had ik een verkeerde route genomen? Verder gekeken; niets. Ik ontdekte iemand die er lokaal en oud genoeg uitzag om het aan hem te vragen. Afgebroken! zei hij. Wat een schandaal, riep ik. Hij haalde zijn schouders op. Schrijf een brief, zei hij.

Vorig jaar werd ik uitgenodigd om een pretpark in Enschede te bekijken. Een complex aan de rand van de stad. Van buiten zou het een vliegveld kunnen zijn, zonder start- en landingsbanen. Binnen kun je bergen beklimmen, meedoen aan een autorace, je overleveren aan toestellen uit je wildste pretdromen – het dwong mijn bewondering af – maar van buiten valt er niets aan te zien.

Is dat noodzakelijk? Functie bepaalt vorm, zei Louis Sullivan. Toen, een eeuw geleden, was dat een verlossende gedachte. Maar intussen komen er steeds meer functies in een steeds geringer aantal vormen, waarvan steeds meer mensen vinden dat ze daarmee op hun wenken worden bediend. De nieuwe constructies zijn onderkomens van collectieve illusies. Die kunnen in de vormen van een schoenendoos worden opgeborgen. Dat is een onverwachte vervulling van Sullivan's stelling.

    • H.J.A. Hofland