Felle strijd juristen in Content-zaak

De Content-zaak werd gisteren verlevendigd door een zware eis en harde pleidooien van advocaten. Toch bleven de heikele juridische punten bestaan.

De messen bleken geslepen, gisteren in de rechtszaak rond uitzendbedrijf Content. Na dagen van inhoudelijke behandeling en getuigenverhoren, was het eindelijk de beurt aan de raadslieden van de verdachten om hun visie op de voorwetenschapszaak te geven.

Dat gebeurde in weinig vleiende bewoordingen aan het adres van officier van justitie H. de Graaff, die eerder op de ochtend een verrassend zware straf van één jaar cel en een boete van 100.000 gulden had geëist tegen oud-president-commissaris A. Maas en de voormalige twee directieleden. Gretig doken de beide advocaten op slordigheden en fouten in het requisitoir van de officier, voor wie, volgens hen, ,,de portee van de wet niet duidelijk is''

En zo werd het beeld van een openbaar ministerie dat het moet opnemen tegen de duurbetaalde advocatuur uit het financieel strafrecht opnieuw bevestigd. Aan de ene kant een officier die, gehinderd door een enorme werkdruk en te weinig professionele ondersteuning, een zaak juridisch niet tot de bodem had uitgezocht.

Aan de andere kant een gespecialiseerde advocaat die, na dagen in de studeerkamer, een urendurend betoog afscheidt, keurig gebundeld in een boekwerk van 111 pagina's. Daarin vindt hij, dankzij de nog zo prille

voorkenniswetgeving, talloze aanknopingspunten voor de onschuld van zijn cliënt.

Vooral D. Doorenbos, raadsman van Maas, pakte de kans met beide handen aan. In een massief betoog beargumenteerde hij dat de gedragingen van de Content-top tijdens het overnameproces door het Belgische Creyf's, pasten binnen de wet. Daarbij zeilde hij slim om de heikele punten heen, die daardoor wel nog steeds boven de zaak blijven hangen.

Die begon op 18 maart 1999. Toen werd door het bevoegde orgaan, de Stichting Prioriteit, besloten om, drie dagen na publicatie van de jaarcijfers, personeelsopties te verstrekken. Ter dekking werden eigen aandelen uitgegeven. Om nog steeds onopgehelderde redenen werd geen uitvoering gegeven aan dat besluit en verliep de normale termijn van drie beursdagen. Ondertussen toonde Creyf's concrete belangstelling en kwam het overnameproces op gang. Toen men erachter kwam dat de termijn voor optieverstrekking verlopen was, werden er alsnog opties verstrekt. Ter dekking werden, anders dan voorheen, aandelen ingekocht, naar later bleek voor een goedkope prijs omdat de Content-koers na de overname fors steeg.

In dit feitencomplex gaat het juridisch om twee begrippen die in de wet genoemd staan. Was de optieverstrekking `bestendig' (niet afwijkend van andere jaren)? En was de inkoop van de aandelen `noodzakelijk'? Als beide vragen bevestigend worden beantwoord, vallen de gewraakte transacties binnen de uitzonderingsbepalingen van de wet en is er niets aan de hand.

Volgens Doorenbos is er bij de optieverstrekking feitelijk niets anders gebeurd dan vroeger. Zonder de overname zou het óók zo zijn gelopen. Allerlei handelingen die anders dan andere jaren waren, kwalificeerde hij als niet relevant. Maar de angel zit in de toekenning van opties aan de directie. Hun aantal werd op het laatste moment verhoogd, volgens de twee directeuren door Maas zelf. Doorenbos trok hun verklaringen echter in twijfel en stelde dat deze verhoging al vóór de overnamegesprekken was afgesproken. Wat niet wegneemt dat het acceptatiemoment plaatsvond toen er voorkennis was over de aanstaande overname en dus inzicht in het geldelijk gewin.

Het meest wezenlijke punt is de inkoop van de eigen aandelen ter dekking van de opties. Dat gebeurde niet alleen voor de nieuw uit te geven serie, maar óók voor oude optietranches. Ook dit was volgens Doorenbos wettelijk toegestaan.

Maar hij liet het cruciale aspect onderbelicht dat daar, in een vastgelegd besluit van enkele dagen daarvoor, nou juist niet toe was besloten. Immers: Content wilde, zoals altijd was gebeurd, juist aandelen uitgeven. Hier komt het noodzakelijkheidsvereiste uit de wet om de hoek kijken. Waarom was het noodzakelijk om nu, in volle voorwetenschap en contrair aan een eerder besluit, aandelen in te kopen? Terwijl het bevoegde orgaan, waar de optieverstrekking een week eerder aan de orde was geweest, dat toen blijkbaar nog niet noodzakelijk vond? Precies deze koerswending, die ook nog eens niet conform de statuten verliep, blijft een heikel aspect. Daarbij gedroeg Maas zich volgens het OM meer als een bestuurder dan als een commissaris, een stelling die Doorenbos bestreed. Volgens hem had zijn cliënt een regiefunctie bij de overname en was hij mijlenver verwijderd van de gewraakte handelingen.

Het juridische debat kon gisteren niet afgerond. De Graaff wilde veel tijd voor zijn repliek, waarop de rechtbank besloot een extra zittingsdag te plannen. En zo gaat het uitspinnen van een nieuw wetsartikel nog even door. Om in Doorenbos' woorden te blijven: ,,Voor juristen een boeiende aangelegenheid, voor de slachtoffers van de vervolging een nare affaire.''

    • Joost Oranje