Een verliefde monnik in de lente

In een klooster in Rochester droeg negenhonderd jaar geleden een monnik met een paar regels zorg voor het begin van de Nederlandse poëzie.

De provinciestad Rochester ziet eruit als een gebruikt servet. Je loopt er langs fabriekjes voor walsen, landbouwmachines en cement. In High Street word je voortdurend aan Charles Dickens herinnerd. Sommige huizen heeft hij in Pickwick Papers en Great Expectations opgevoerd. Op de dag voor z'n dood schrijft hij nog over de tuingeuren, het vogelgezang en het veranderende licht door de verspringende takken. Die indrukken schenkt hij, met een laatste gebaar, aan de middeleeuwse kathedraal.

Voor de uitdragerij Memories laat een man een bloemkool vallen. Veel meer kan hier niet gebeuren. Toch is Rochester nauw verbonden met de Nederlandse geschiedenis. De stad ligt aan de Medway, een rivier in het zuidoosten van Engeland, die uitkomt op de Noordzee. Vanaf het water heb je nog ongeveer hetzelfde uitzicht op de oever als Michiel Adriaanszoon de Ruyter, toen hij hier de Engelse vloot aanviel.

In de Guildhall, het gemeentemuseum, kun je, met lampjes op een reliëfkaart, de zeeslag volgen. De Hollanders braken door een rivierketting bij Chatham, de zusterstad van Rochester. Een oorlogsgravure laat nog beter zien hoe het bij de Tocht naar Chatham (19-24 juni 1667) toeging. In de verte zijn de Britse galjoenen in rookwolken gehuld. Aan de andere kant van de rivier proberen de bewoners met karren en lastdieren hun eigendommen in veiligheid te brengen.

De Nederlandse marine gedroeg zich in Rochester tamelijk netjes, lees het dagboek van Samuel Pepys er maar op na. Hij zegt dat niemand werd vermoord en dat geen huis werd geplunderd. Nee, dan de Engelsen. Volgens Pepys stalen ze als de raven en waren ze een ramp voor de bewoners van de steden aan de rivier.

Twee gebouwen springen er op de gravure uit. Je ziet een kathedraal met vijf torens. Iets dichter bij de rivier staat een spartaans kasteel op een krijtrots. Die twee waren ook al eeuwenoud, toen De Ruyter huis hield op de Medway. Het zijn ontwerpen van bisschop Gundulf. Hij was vanuit het Franse hertogdom Normandië, in het kielzog van de in 1066 benoemde koning Willem de Veroveraar, mee naar Engeland gekomen om daar, als Benedictijns bouwmeester, het christendom te verspreiden. Heel wat Franse en Vlaamse monniken gingen met de King's Chief Engineer mee.

Rochester ligt, als je de trein neemt, een half uur van Londen. Ik ben hier niet voor Dickens of De Ruyter. Een kort gedicht heeft me naar deze stad geleid. Als je het wilt onthouden, krijg je ongeveer dit, `iedereen doet het met iedereen, behalve ik en jij, komt er nog wat van?' Of, wat letterlijker, `zijn alle vogels met hun nest begonnen, behalve ik en jij, waar wachten we nog op?'

In de officiële tekst, het lijkt wel een soort schertslatijn, staat het zo:

hebben olla vogala nestas hagunnan hinase hic

enda thu wat unbidan we nu

Geen gekwelde gedachten, `t klinkt eerder nonsensikaal. Volgens Frits van Oosterom in Nederlandse Literatuur, een geschiedenis werd het gedicht in 1933 door de Engelse germanist Kenneth Sisam in de Bodleian Library te Oxford ontdekt. Hoe vreemd het, kort na 1100, ook is gespeld, het kan een mogelijke oorsprong van de Nederlandse poëzie zijn. Een Vlaamse monnik moet het hier in Rochester in een Benedictijns klooster hebben geschreven, als een pennenproef op een schutblad, voor hij met het kopiëren van religieuze regels begon.

De anonieme monnik maakte deel uit van Gundulfs Normandische gezelschap. Z'n gedicht mag bewaard zijn gebleven, het klooster bestaat vast allang niet meer. Toch ben ik koortsachtig opgewonden. Je kunt de plaats waar de monnik dat eerste Nederlandse gedicht schreef altijd gaan zoeken. Is het klooster soms ook een ontwerp van Gundulf, net als het kasteel en de kathedraal? Hij is met z'n toeristenattracties de opvallendste architect van de stad. De Tower in Londen heeft hij ook ontworpen.

In de kathedraal weten ze vast meer over het vroegere klooster. Daar heb je de torens, toch nog plotseling, ze zijn niet eens zo hoog. Precies het bouwwerk op de gravure. Dichterbij gekomen twijfel je over de te gladde muur. Stamt die echt uit de twaalfde eeuw? Sommige lijntjes verraden herstelwerkzaamheden. Stel het je voor, steeds weer nieuwe stenen tussen de oude en tenslotte worden ook de laatste oudste stenen tussen de nieuwe vervangen. Pleksgewijs is de muur, zonder dat iemand 't heeft gemerkt, in z'n geheel veranderd.

Binnen is het stil. Nauwelijks bezoek. Je staat meteen in het middenschip. Gundulf begon er in 1080 mee. Misschien heeft de Vlaamse monnik hier ooit gelopen. Dit is het oudste deel van de kathedraal. Met een mengeling van eerbied en ongemak, bij zoveel officiële piëteit, bekijk je de strenge bouwkunst. Zes bogen van het origineel zijn bewaard gebleven. In 1130 werd de kerk gewijd.

Je loopt door een zijbeuk, het dwarskoor en de andere uitbreidingen, tot de kathedraal, in ongeveer 1500, met de Mariakapel wordt voltooid. 't Is een wirwar van stijlen, romaans, gotisch, kijk, daar staat een paar stellages met in elkaar geschoven stangen. Eeuwige restauratie, nog steeds in volle gang.

Hebban olla vogala, hebban olla vogala, 't zoemt ongeduldig in m'n hoofd. En nu zie ik het gedicht voor me op een voor een kathedraal wel heel nederige plek, de Brederodestraat in Amsterdam-West. Daar zijn de letters in de stoeptegels verzonken, tussen de Pieter Langendijkstraat en het Staringplein, pal tegenover het geboortehuis van W.F. Hermans, op nummer 93.

Weg met de Brederodestraat. Als ik straks over het gedicht begin, moet ik wel iets over de kathedraal weten. 't Is of ik me voorbereid op een examen. Zou er veel van de kapittelzaal bewaard zijn gebleven? De figuren in de kalkstenen deurlijst zijn prachtig. Uit 1343? Ze zijn intussen vaak hersteld, net als de eikenhouten deur. Die werd voor het laatst in het begin van de negentiende eeuw vervangen. Nee, bij zoveel verval mag je hier in de buurt niet meer op een oud klooster rekenen. Buiten zijn de merels allang met hun nest begonnen, maar die Nederlandse vogels zijn voorgoed van papier.

Plotselinge tikken, snel achter elkaar, een jongen stuitert z'n bal de kerk in. Die gaat vlugger dan hij kan lopen, de gele bal komt maar niet tot stilstand, rolt door het koor, de ene echo overlapt de andere. De moeder erachter aan. Ze wil de jongen een hengst geven. Dan kijkt ze, net voor ze zal slaan, om zich heen. Haar arm gaat langzaam omlaag. In een kathedraal mag ze geen lawaai aan de uitgestuiterde bal toevoegen.

Overal tuimel je van de ene eeuw in de andere. Als dank voor z'n vogelgezang en tuingeuren kreeg Dickens hier een gedenkteken. Even verder draaien drie monniken aan een half rad van fortuin. De Anglicaanse kerk heeft het slordig weggeschilderd. Puur geluk dat er iets van het katholieke rad bewaard is gebleven. Er stond een preekstoel voor en die werd pas in 1840 verplaatst.

Wat een kerkschatten. Je kunt er nauwelijks kritiek op hebben en toch zien ze er radeloos uit, of ze onder de last van al die godsvrucht bezwijken. Een jongen in het zwart gaat een trap af. Ik volg hem. In de crypte is een hele jongensklas in priesterkleding gehuld.

De ruimte met de gebogen zuilen heeft geen middelpunt. Geen blikrichting wordt je voorgeschreven, geen jaartal, geen voorval. Is dat een raam, daar in de verte? Er valt licht naar binnen. Het diepste gewelf van Gundulfs gebouw grenst aan een tuin.

Ik loop naar boven, schat de afstand en doe, op goed geluk, een deur open. Daar heb je de tuin. Een grasveld met wat armzalige gebouwtjes eromheen. Zeker een deel van de kathedraal dat lang geleden in verval is geraakt. Wil Rochester dit soms ook nog laten restaureren? Hier heeft herstel geen zin meer. Ze kunnen de ruïnes beter meteen platwalsen, met een stadswals uit hun eigen fabriek.

Een bord op een paaltje, Cloister, Benedictines, halleluja, dit is de tuin van de monniken, het kan niets anders zijn. Hier bouwen ze nog steeds hun nest, Engelse vogels, wat doet het er toe, door die Vlaamse monnik werden ze voorgoed tot Nederlanders genaturaliseerd.

hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic

enda thu wat unbidan we nu

Aan de randen van het grasveld staat het klooster. Resten natuurlijk, dat wel. Ik weet niet waar ik kijken moet. Je herkent de galerij het eerst, daar hebben ze gewandeld. Ik loop er over het gras naartoe. De gang zelf en de meeste bogen zijn met keistenen dichtgemetseld, als op een schilderij van Magritte. Geen godslastering, `t is gedaan om het kwetsbare steen vlug een fundament te geven en het klooster voor totale instorting te behoeden.

Een bordje verklapt dat achter de gang de slaapvertrekken waren. Er is veel marmer gebruikt. Gundulf liet het uit Vlaanderen naar Rochester vervoeren. Wat zien die galerijbogen er ongewijzigd uit. Op de hoogste plekken heb je de illusie dat het steen sinds de bouw door geen vinger meer is aangeraakt. Of de krassen en putjes nog stammen uit de jaren voor de monnik z'n pen op het schutsblad probeerde.

Het gedicht komt steeds dichterbij. Als dit de slaapzalen zijn, dan heeft hij het vast in de gebouwen verderop geschreven. Je slaat rechtsaf en daar begint de architectonische hutspot opnieuw.

De overblijfselen van het klooster zitten tegen een Victoriaanse kerk. Daarbij voegt zich ook nog de rest van een Romeinse stadsmuur. Geen werkkamer, maar een eetzaal. Alleen de ingang is bewaard gebleven. Je kunt de trap nog zien. Achter een muur is de wasruimte, niet meer dan een holte, gestileerd als een crypte.

Je ziet de Vlaamse monnik opstaan, hij wast zich en gaat eten. Waar sloeg hij z'n prekenboek open? Misschien in het hoogste bouwsel, naast de slaapvertrekken, dat heb ik in m'n gulzigheid overgeslagen. Je ziet het nu van verre, aan de andere kant van het gras. Alleen de gevel staat nog overeind, begane grond met een verdieping. Dwars door de raamholtes kijk je in de open lucht. Ik zie zelfs een palmboom. Hoe komt die er nu?

Ik pak het boekje met de gravure uit de Guildhall. Zou je bij de zeeslag van De Ruyter soms iets van het klooster kunnen ontdekken? Het ligt vlak naast de kathedraal, maar het wordt door het kasteel afgeschermd. Je kunt er niets van zien. Hebben de Nederlanders, na hun overwinning, het toen al verwaarloosde klooster soms nog verder te grazen genomen? Volgens Pepys werd er geen huis in brand gestoken. Ze namen alleen maar dingen mee die ze makkelijk konden dragen.

Een man kijkt over m'n schouder naar de gravure. Hij ziet er onopvallend uit, zo'n gezicht dat je later meteen weer vergeet. Hij vraagt of ik iets zoek. Is hij een gids? Dat niet, hij komt hier wel vaak. 't Is een eeuwig type. Hij weet er echt iets van of hij dringt zich op en dan kost hij me alleen maar tijd.

Ik begin over het Nederlandse gedicht. Heeft hij nog nooit van gehoord. Ineens vraag ik, het lijkt wel een test, of hij weet hoe het boek in Oxford terecht is gekomen. Daar heeft hij een antwoord op.

Hij zegt dat Hendrik VIII in 1540 de opdracht gaf om alle kloosters op te heffen. De Benedictijnen in Rochester verdedigden zich het langst. Ten slotte werd ook hun bezit veroverd. Het land, de opstallen en de losse goederen, dat alles was nu van de koning. Neemt u van mij aan, bijna hadden ze in Nederland geen begin van de poëzie. Hij zegt het lachend. Het mag een wonder heten dat het katholieke boek niet is vernietigd. De Anglicaanse beeldenstorm ontzag niets. Het moet illegaal, misschien wel na vele omzwervingen, in Oxford terecht zijn gekomen.

Niks eeuwig type, hij weet alles. In de verte is het kapittelhuis, als je een ruïne met zes openingen tenminste nog een huis mag noemen. Daar werkten ze, ja, in het hoogste bouwsel. Een verdieping? De hoge ramen horen bij die ene zaal. Het licht viel er mooi naar binnen.

We lopen ernaartoe. De linker en de rechter poort zijn met keistenen dichtgemetseld. Het middendeel is open. Je kunt er gewoon doorheen. Achter de gevel lag een zaal van twaalf bij acht meter. Nu staat er een palm. Negenhonderd jaar geleden, `t is weer eind maart, begin april. Een paar meter van mij af luistert de monnik naar de kwetterende vogels, slaat hij het boek open, eerst even de pen proberen, hij is verliefd.

Frits van Oostrom `Omstreeks 1100'- in `Nederlandse Literatuur, een geschiedenis'; Uitg. Contact, Amsterdam/Antwerpen, 1998

`The Dutch Raid - Samuel Pepys' account of the Dutch raid on the Medway 1667; Uitg. The City of Rochester Society, 1998