De boerenhoeve berust in haar lot

Over prinses Irene wordt wel eens wat lacherig gedaan omdat zij met bomen schijnt te spreken, maar de meeste schrijvers zijn geen haar beter. Die doen ook graag wat een mens met gezond verstand voor onmogelijk houdt. K. Schippers liet in Eerste indrukken (1979) een driejarig meisje haar memoires schrijven. In Een fabelachtig uitzicht (1990) van Gijs IJlander mochten we meekijken door de glazen ogen van een opgezette eekhoorn. Leo Pleysier liet in Wit is altijd schoon (1989) een overleden vrouw onafgebroken ratelen tegen haar zoon. Vestdijk voerde in een van zijn nagelaten verhalen een wit bloedlichaampje op als hoofdpersoon. Er zijn wel meer voorbeelden te bedenken waarin op een ongebruikelijke manier naar de wereld wordt gekeken, maar sprekende en denkende huizen was ik nog niet eerder tegengekomen.

Marijke Libert introduceert ze in haar debuut, Sterk water. Vier huizen komen hier tot leven, stuk voor stuk personages die er mogen zijn: goed gebekt, gevoel voor humor, nuchter, relativerend. `Hoe lang stond ik hier eigenlijk al?' vraagt een boerenhoeve zich af. `Een- of tweehonderd jaar? Een beetje belegen huis raakt de tel kwijt op den duur.' Inhoudelijk heeft Sterk water iets weg van een smeuiïge dorpsroman, zich afspelend in een Vlaamse `Azand- en leemstreek'. Maar door het ongewone perspectief en de legpuzzelachtige structuur, krijgt men pas in de loop van de roman een beetje door hoe het precies zit met `Memeeke', de gebochelde, inwonende grootmoeder, en haar tobberige nazaten. Eindeloze rijen weckpotten, soms met dubieuze inhoud, een afgesleten keldertrap die de grootmoeder al spoedig fataal zal worden, houtwormen die doodskloppertjes worden genoemd en de bewoners uit hun slaap houden, een werkeloze vader met losse handjes die het vooral op zijn dochter Bieke heeft voorzien: allemaal aanwijzingen dat er iets grondig mis is met de familie, al weten we nog niet wat. Ik vermoed dat Libert met een iets conventioneler opgezette roman ook had kunnen overtuigen dankzij haar mooie, soms bijna zangerige stijl, maar het huizenperspectief biedt zeker iets extra's. De huizen weten soms minder dan hun bewoners, omdat ze het moeten hebben van wat hardop gezegd en gedacht wordt. Maar soms weten ze juist ook meer omdat ze om zo te zeggen dag en nacht in touw zijn en dus meer zien. Zo overpeinst de boerenhoeve, al generaties lang `het nest' van de familie, dat niemand kennelijk wist dat Memeeke genoeg had van het leven en al eerder aarzelende pogingen deed om er een eind aan te maken. `Niemand wist waar ze mee bezig was, niemand merkte het op, met uitzondering van mijzelf natuurlijk, die haar in al mijn hoeken bespiedde'. Zelfmoord dus? Enkele hoofdstukken verderop blijkt de toedracht toch net weer ietsje anders te zijn geweest. In de spanning tussen dat meer en minder weten, ligt veel van de charme van de roman besloten.

Vanuit vier verschillende huizen, de hoeve, een rijtjeswoning, een studentenflat en een klooster, wordt ons langzaam maar zeker een compleet familiedrama onthuld, waarin verschillende lijken figureren. In alle verhalen, die gewiekst op elkaar inspelen, draait het steeds om Bieke of Beatrijs, in een intrigerende dubbelrol van slachtoffer en dader.

Voederbieten

De tragedie vangt aan als Memeeke, begin jaren vijftig schat ik, een miskraam krijgt. Het `duivenjong', dat haar zomaar ontvalt, had de verhoopte mannelijke opvolger moeten worden van het familiebedrijf in voederbieten en graan. Daarna krijgt ze vier dochters. Een van hen wordt de moeder van Bieke, die een jongen had moeten zijn. `Het was een zij, omdat er iets ontbrak. (-) Hier had God iets vergeten.' Het broertje dat een paar jaar later wordt geboren, blijkt suikerziekte te hebben en voldoet dus ook niet helemaal aan de verwachtingen. Memeeke hoeft dat niet meer mee te maken, want die is dan al dood en het familiebedrijf allang ter ziele. Het gezin verhuist naar een rijtjeswoning en wordt zo mogelijk nog ongelukkiger dan het al was. Vader, moeder en broer Tom nemen het leven veel te zwaar op en daarom besluit de daadkrachtige Bieke hen te verlossen uit hun inertie. Zichzelf weet ze níet van het leven te bevrijden, al raakt ze bij een van haar pogingen wel een oog kwijt. Treurnis is hier troef, maar de prettig laconieke toonzetting maakt die treurnis niet alleen verteerbaar, maar soms ook werkelijk amusant. Een van de tragikomische leidmotieven in de roman is de fixatie op voedsel. Zoals de vader van Bieke lichtelijk hysterisch wordt als er geen `patatten' in huis zijn (want `van pasta', zo meent hij, `word je lui en vet (-) en rijst is gemaakt voor de Chinezen'), zo is de grootmoeder altijd maar bezig met de inmaak, al eet ze er zelf niet graag van. Rusteloos vult ze haar weckflessen met groente, fruit, jam, augurken en eierlikeur, al verdwijnt er ook wel eens iets minder eetbaars in het sterke water.

De huizen zien het getob van hun bewoners aan en proberen te berusten, omdat ze toch niets kunnen veranderen aan de loop der dingen. Bovendien moeten ze ook aan zichzelf denken, aan het gekraak in hun balken, het verval van muren en daken, de schimmel in het souterrain. Het is, zo lijkt Libert te willen zeggen, met deze bezielde huizen als met de mensen die erin wonen: ze moeten maar zien hoe ze zich staande houden in hun toevallige omstandigheden. Een van de romanfiguren, zuster Emerance, wordt niet moe te verklaren dat men niet geroepen hoeft te zijn om toe te treden tot een kloosterorde. Op haar zestiende moest ze van haar moeder lootjes trekken om te bepalen of zij of haar zus naar het klooster zou gaan. Dan vertelt de non voor de zoveelste keer aan haar achternicht: `Jouw oma trok de zoon van de Rijkaerts, ik de goede God.' Onmogelijk te zeggen wie van de twee zussen het beste lot trok, want de ene zal bezwijken aan een zonnesteek, omdat men haar per ongeluk te lang buiten laat staan en de andere eindigt geblutst onderaan de keldertrap.

Marijke Libert: Sterk water. Meulenhoff, 176 blz. ƒ34,25