Canon van internationale fotografie

In het Rijksmuseum zijn 88 foto's te zien uit de collectie van de Nederlandse verzamelaar Manfred Heiting. Zijn fotoverzameling geldt als een van de mooiste ter wereld en bevat afdrukken van het werk van vrijwel alle beroemde fotografen uit de geschiedenis.

,,Ik ben nooit met mijn collectie langs de deuren gegaan'', antwoordt de Amsterdamse fotoverzamelaar Manfred Heiting (1943) op de vraag waarom het zo lang heeft geduurd eer een Nederlands museum aandacht aan zijn foto's wilde besteden. Terughoudendheid is grote kunstverzamelaars nu eenmaal eigen. Maar dat die expositie er nu toch is gekomen, verwondert hem niet. ,,De aandacht voor het medium verandert. Die is niet langer oppervlakkig en incidenteel zoals voorheen, maar wordt breed en gedegen.''

De afgelopen jaren kon hij zich nog wel een laatdunkend uitlaten over het fotografie- en bestuursklimaat in Nederland, maar nu ziet hij het ,,de goede kant opgaan''. Vandaar ook dat Heiting, die de afgelopen twee jaar werkte aan het masterplan voor een groot fotografiemuseum in Berlijn (opening voorzien in 2008), zich onlangs liet strikken als voorzitter van het op te richten Fotografie Museum Amsterdam.

Vandaag opent in het Rijksmuseum in Amsterdam de tentoonstelling Portretten & Stillevens, waarin 88 foto's uit Heitings collectie voor het eerst in Nederland te zien zijn. Het is slechts een kleine greep: in totaal bezit hij ruim 5500 foto's. Iedere toonaangevende fotograaf uit de geschiedenis van het medium is er vertegenwoordigd met minstens één representatieve foto. Het gaat daarbij zonder uitzondering om zogenaamde vintage-prints (afdrukken door de fotograaf of zijn vaste drukker, vervaardigd in de tijd waarin ook het negatief gemaakt werd) die in onberispelijke staat verkeren. Het geheel wordt gerekend tot een van de mooiste particuliere verzamelingen ter wereld.

Het is dan ook nauwelijks verwonderlijk dat de expositie, ondergebracht in de zalen van het Prentenkabinet, hier en daar een bijna statige sfeer ademt. Dat geldt zeker voor de eerste zaal met incunabelen van de 19de- en vroeg 20ste-eeuwse fotografie: glazen en karaffen in 1843 gefotografeerd door Henry Fox Talbot, een van de grondleggers van het medium; een portret van David Octavius Hill in 1845 leunend tegen een stenen muur gefotografeerd door Robert Adamson; de priemende ogen van Charles Baudelaire, vastgelegd in 1862 door Etienne Carjat; een ragfijn Pruisisch-blauw fotogram van een varen, gemaakt in 1851 door de Engelse Anna Atkins. Het zijn stuk voor stuk foto's die behoren tot de internationale canon van de fotografie en die, uitgestald in vitrines, als op een voetstuk gepresenteerd worden.

In de tweede zaal vinden deze historische foto's hun moderne contrapunt. Atkins' opname bijvoorbeeld wordt `gespiegeld' door een vaalgroen fotogram van de Engelsman Adam Fuss, gemaakt door fotopapier te belichten via een met slijmerige pasta ingesmeerde glasplaat (1991); Charles Baudelaire vindt zijn tegenhanger in een argwanende jongeman, in 1951 door Paul Strand gefotografeerd voor een ruwhouten muur op het Franse platteland. En David Octavius Hill is hier Marcel Duchamp: onhandig staat hij in de spits toelopende hoek van Irving Penns studio in New York.

De ruime eeuw tussen beide uitersten is ingevuld met foto's van nog eens 65 fotografen waaronder Alfred Stieglitz, Edward Weston, August Sander en Diana Arbus. Uit het interbellum, het zwaartepunt uit Heitings collectie, zijn onder meer twee subtiele stillevens te zien van André Kertész (een vork balancerend op de rand van een bord, en een opname van de pijp en brillen van de schilder Mondriaan), fotogrammen van László Moholy-Nagy en Man Ray, en door de afwisseling van licht en donker ingenieus opgebouwd stilleven met vruchten gemaakt door de Duitse moderniste Aenne Biermann.

Voor wie enigszins thuis is in de geschiedenis van de fotografie komen de namen niet als een verrassing. Dat geldt ook voor de rode draad van de tentoonstelling. Gevat in een chronologische opbouw waarbij de beide genres streng van elkaar gescheiden aan weerszijden van de zalen worden getoond, laten ze zien hoe de fotografie na de eerste technische experimenten aanvankelijk aansluiting zoekt bij de schilderkunst om gaandeweg haar eigen beeldtaal te ontdekken.

De verrassing schuilt vooral in de details en subtiliteiten van de originele afdrukken die, een enkele uitzondering als Ed van der Elsken daargelaten, nog nooit in een Nederlands museum te zien waren.

Geen reproductie evenaart het doffe glanzen dat Paul Outerbridge in 1923 wist mee te geven aan zijn foto van een krukas, kan een goudgele lotus zo gewichtloos laten zweven in een zee van zwart (een foto van Edward Steichen, 1919) of de zomerse warmte oproepen van een even statig als zwoel ruggelings vrouwenportret van Heinrich Kühn (1910).

Hoewel hij persoonlijk een voorkeur heeft voor een wat lossere, genre-overstijgende presentatie, is Heiting zeer te spreken over de benadering van het Rijksmuseum. ,,Er zijn eindeloos veel manieren om fotografie te laten zien. De klassieke chronologische opzet die hier is gehanteerd past uitstekend bij het Rijkmsuseum.'' Hooguit had hij graag wat meer modern werk gezien, al is dat ook in zijn collectie nog niet optimaal vertegenwoordigd, geeft hij toe. ,,Maar ja, de prijzen zijn de afgelopen jaren dermate gestegen dat ik me de aanschaf nauwelijks nog kan veroorloven. Als ik iets wil kopen moet ik eerst iets verkopen. En dat is voor een verzamelaar een onmogelijke keuze.''

De tentoonstelling Portretten & Stillevens is t/m 24 juni te zien in hetRijksmuseum Amsterdam, Stadhouderskade 42. Open: dagelijks 10-17. Catalogus: ƒ69,50

    • Eddie Marsman