Zorgen over vroeggeboorten

Het aantal vroeggeboorten en aangeboren afwijkingen neemt toe. Minister Borst toont zich ongerust. Kan er iets aan gedaan worden?

Reageerbuisbevruchtingen en vruchtbaarheidsbehandelingen uit het ziekenfondspakket verwijderen. Alleen bevallingen bij vrouwen tussen de twintig en dertig jaar vergoeden. De kinderbijslag voor het vierde en volgende kind afschaffen.

Met dit soort ingrepen zou het aantal vroeggeboorten, niet geheel voldragen kinderen of kinderen met aangeboren afwijkingen kunnen afnemen. Juist deze kinderen hebben de grootste kans dood geboren te worden of in de eerste week na de geboorte te sterven. Zij vormen de reden waarom Nederland in Europa op het punt van de vroege kindersterfte van de top is afgezakt naar de `middengroep', zo rapporteerde het RIVM, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, deze week.

Maar dergelijke maatregelen zijn nauwelijks haalbaar. Minister Borst (Volksgezondheid) stelt ze dan ook niet voor in de brief waarin ze de Tweede Kamer deze week deelgenoot maakte van haar zorgen over de stagnerende daling van de vroege kindersterfte. Zij beseft dat ze daarmee op een gevoelig terrein zou komen: ,,De keuze van een gezonde leefstijl is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de burger zelf, zeker op het gebied van het krijgen van kinderen'', zo schrijft ze. En, voegt ze er aan toe: ,,In het beleid kan ik alleen voorwaarden scheppen voor het gemakkelijker maken van de juiste keuzes.''

Daar rekent de minister ook het ,,op tijd krijgen van het eerste kind'' toe, waaraan voldoende kinderopvang, zorgverlof en ouderschapsverlof kunnen bijdragen. En dan is er natuurlijk haar antitabaksbeleid: roken tijdens de zwangerschap is ook een belangrijke risicofactor. Maar dat beleid is door de krachtige lobby van de industrie tot nu toe minder succesvol dan de minister voor ogen staat.

Verder staat Borst alleen nog het lang niet altijd effectieve instrument van voorlichting ter beschikking, om vrouwen tot een leefstijl te bewegen die (althans statistisch) de minste risico's voor nakomelingen oplevert. Wel kondigt ze een betere registratie van aandoeningen en sterfte en een betere organisatie van de verloskundige hulp aan.

Intussen leert het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu dat er misschien ook geen aanleiding is voor grote zorgen over de stagnerende daling van de vroege kindersterfte. Het RIVM, dat voor Borst verschillende internationale studies analyseerde, relativeert de duikeling van Nederland op de ladder van de vierde naar de elfde plaats.

De afgelopen veertig jaar hebben de meeste Europese landen hun achterstand op Nederland ingelopen. Het resultaat is dat de onderlinge verschillen klein zijn geworden. Daardoor zegt het niet zoveel meer of een land als derde of tiende `scoort', al blijken de nummers 1 en 2, Finland en Zweden, wél een duidelijk lager sterftecijfer te hebben dan de andere landen. Bovendien is het in de landen van de OESO, waaraan de cijfers zijn ontleend, niet mogelijk eenzelfde definitie voor vroege kindersterfte te hanteren.

Sommige landen, waaronder Nederland, laten de periode waarin daarvan wordt gesproken, beginnen in de 24ste week van de zwangerschap, andere landen hanteren de 28ste week als grens. Dat maakt voor de cijfers, en dus voor de rangorde, nog wel wat uit.

    • Quirien van Koolwijk