Vertraging in Nigeria

Toeristen kunnen Nigeria beter mijden.

Avonturiers die het land toch willen bereizen, kunnen daarvoor beter de bus nemen, het vliegtuig desnoods, dan de trein. Tenzij ze héél véél geduld hebben. Een reisverslag.

Na weken in bussen door de Sahel gerammeld te zijn, wil ik hier, in het noorden van Nigeria, wat anders. Ik heb mijn zinnen op de trein gezet. Tot 1960 was Nigeria onder Brits gezag en er reden vast nog wel rijtuigen uit de koloniale tijd. Met een beetje geluk was het lijden gedaan en bracht ik de reis naar het zuiden gerieflijk schommelend door in een eersteklascoupé, smaakvol ingericht met notenhout en koper, met in de restauratie rinkelend tafelzilver en kristal op de tafeltjes.

De taxichauffeur in Bauchi aarzelt als ik het station opgeef. Ik leg uit dat ik met de trein wil en hij schiet in de lach.

,,Better take bus, better take plane, only one train a week.''

Iets verderop maken achteloos op een spoorwegovergang geparkeerde auto's me duidelijk dat van een hoogfrequent treinverkeer geen sprake kan zijn. Maar de begeerte is aangewakkerd en er zoemt iets in me: de trein... de trein die eens per week rijdt!

Aan de buitenkant van het stoffige stationnetje zijn alle loketten dicht en het paneel waar ooit de dienstregeling heeft gehangen, is overgeplakt met de koppen van Nigeria's meest gezochte boeven. Het perron lijkt getroffen door een gifwolk. Lukraak en in grillige houdingen hebben wat mensen zich te slapen gelegd, het hoofd op de bagage. Het is te heet om nog een vlieg te meppen en niemand beweegt. In hun ruimvallende gewaden zijn het net engelen en ik verheug me op de wederopstandingsscène als de klaroen, ver achter die bocht in het spoor, het signaal zal geven. Dicht langs de muur, in de schaduw schuifelt een oude man en draait zich argwanend om. Op mijn vraag of hij weet wanneer de trein naar het zuiden vertrekt, schudt hij vertwijfeld het hoofd, zucht diep en voorspelt: zaterdag, ja, zaterdag. Als ik vraag hoe laat, sloft hij geïrriteerd weg, als bezorgde de vraag hem hoofdpijn. Voor hij de hoek om slaat, draait hij zich half om en haalt zijn schouders op.

,,Zes uur, tien uur... Maar neemt u toch de bus!''

Boven een opening staat in verbleekte maar onmiskenbaar Britse letter: Chief Station Master. Door een vliegengordijn stap ik een donkere ruimte in. In het halfdonker zitten achter zware, houten bureaus twee Haussa's. Hun bureaus zijn leeg, geheel leeg. Een tafeltje in de hoek daarentegen is afgeladen met papieren. De situatie is me vertrouwd van postkantoren en andere overheidsinstellingen. Zij, de twee in fraaie gewaden gehulde heren, zijn hier de baas. Hun taak is gezag uit te stralen en dat doe je het overtuigendst door weliswaar aanwezig te zijn, maar verder volstrekt niets te doen, waarbij rustig en verveeld toegekeken wordt op hen die nog niet zover zijn en wel moeten aanpakken.

,,What is it we can we do for you, Sir?''

Vanuit de aangeboden fauteuil kijk ik de ruimte rond. De man die me heeft binnengelaten en achter het afgeladen tafeltje hoort, is op een kastje gaan zitten en wacht nu, met bengelende benen, gespannen op het gesprek dat onvermijdelijk komen gaat. Ik geef te kennen dat ik zaterdag met de trein naar het zuiden wil en dat ik vertrektijd en duur van de reis zou willen vernemen. Er valt een stilte waarin de heren een blik van verstandhouding wisselen. Eén plukt nadenkend aan zijn kin.

,,There is a bus leaving... every night.''

Ik zeg opnieuw dat ik met de trein wil.

,,It is a luxury coach.''

Ik zeg de trein te prefereren.

De ventilator snort. De kinplukker kijkt nu naar het plafond, terwijl de ander bedachtzaam zijn onderlip naar voren schuift en de vingertoppen tegen elkaar plaatst.

,,Now... where exactly do you want to go?''

Ik noem de plaats en ze reageren synchroon: ,,You can fly there.''

Ik voel dat met het nogmaals uitspreken van mijn verlangen het gevaar van stress voor de heren levensgroot wordt en ik zwijg. Waarom zij mijn treinreis als bedreigend ervaren, is me een raadsel.

,,Maybe... it is better you know about the cost first.''

,,First class not cheap'', vult de ander aan.

,,Bus only 80 Naira'', meent de man op de kast te moeten bijdragen, maar nog tijdens diens woorden sust de chef dat hij het praten aan hen dient over te laten. Ik zeg dat geld geen rol speelt. Het blijft lang stil en als ik dan nog niet weg ben, speelt zich in het Haussa een dialoog af waarvan ik mij de vertaling als volgt voorstel.

,,Kijk in de la van je bureau!''

,,Waarom zou ik in de la van mijn bureau kijken?''

,,Daar ligt een lijst met tarieven.''

,,Ligt daar een lijst?''

,,Aha.''

,,Met tarieven?''

,,Aha.''

,,In mijn bureaula?''

,,Aha.''

,,Welke?!'' (strikvraag)

,,Die rechtsboven.''

Een ongelovige hand komt in beweging, schuift de la open en haalt er een stuk karton uit waarop een groezelig lijstje geplakt zit. Leespauze. Buiten over het perron naderen slippers en door het vliegengordijn schuift een jonge vrouw met in een doek een pannetje eten dat ze op het bureau voor de chef neerzet. Hij kijkt niet op, groet niet en de vrouw sloft weer weg. Als het tarief gevonden is, vraag ik naar de duur van de reis. Ze geven tegelijk antwoord.

,,24 hours.''

,,36 hours.''

Die van 24 verbetert:

,,It takes 36 hours, but longer when there is an accident. There are many accidents.''

Ik sla geen acht op de toevoeging van de man op het kastje dat de bus de afstand in slechts tien uur aflegt en stel voor onmiddellijk tot reservering over te gaan. Dat gaat zo: als de trein op tijd is, passeert hij vrijdag Bauchi op weg naar het noorden. De conducteur zal dan van mijn wens op de hoogte gesteld worden, zodat hij vanaf het noorden terug een plaats voor de krankzinnige zal vrijhouden. Ik deed er goed aan vrijdag nog even langs te komen, dan wisten ze waar de trein ergens was en konden ze een voorzichtige inschatting maken of hij zaterdagochtend, -middag, of -avond zou vertrekken.

,,That's the system, you see.''

,,That's the system'', herhaalt de tweede.

,,The system'', benadrukt de man op de kast en smakt tevreden met zijn lippen. Als ik vraag of mijn reservering niet op schrift gesteld dient te worden, lachen ze geruststellend. Maar ik dring aan en er wordt een stukje papier gevonden waar ik mijn naam op mag schrijven. Het papier wordt in een bureaula opgeborgen, bij de tarievenlijst. Daarna vouwt de chef tevreden zijn handen boven het bureaublad, dat weer fijn leeg is. Ik wil vragen of zij mij kunnen beschrijven hoe de rijtuigen er uitzien, maar ze gebaren afwerend en kijken weg. Daar had je het toch nog: stress! Tijd voor de ondergeschikte om van zijn kastje te glijden en mij zachtjes bij de arm te nemen.

,,It is enough now'', fluistert hij en voert mij naar buiten, als had ik met mijn vragen het orakel volledig uitgeput.

Ik neem mijn intrek in een hotel op gehoorsafstand van de spoorbaan en breng uren op mijn kamer door met kijken naar het plafond en me te verbazen over mijn dwaze vasthoudendheid.

De volgende dag, vrijdag, begeef ik me weer naar het station. Op het perron liggen nu meer mensen tussen matrassen en ander huisraad. Ieder suft wat. Het leven was wachten tot je meegenomen werd. Bij de Chief Station Master is iets veranderd. Op het bureau staat een telefoon, een ouderwets toestel. Precies in het midden staat het, als een schrijn op een altaar. Ik vraag hem of hij wil bellen hoe het er voor staat met de trein. Er valt een stilte. De andere twee staren ernstig naar het toestel en houden de adem in.

,,They will phone me'', beslist de Chief. De anderen laten hun lucht ontsnappen.

,,Yes, but it would be of great help...''

,,They will phone me'', herhaalt hij met klem en houdt daarbij geen oog van het toestel, als verwacht hij dat het juist nu ieder moment tot leven kan komen. De anderen waaien zich koelte toe en kijken van mij weg. Ik ken inmiddels de symptomen waarmee stress zich aandient en sus dat ik later die dag nog wel langs zal komen. Een eind buiten het station sta ik stil en staar naar de spoorstaaf aan mijn voeten. De situatie was bespottelijk. Het afgelopen etmaal had ik al tweemaal weggekund, gewoon met de bus. In de waan dat iets wat moeite kostte, pas echt de moeite waard was, had ik me nu vastgebeten als een terriër. Maar wat zat er toch achter hun afhouden? Waren er in heel Nigeria geen personenrijtuigen meer? Werd iedereen in goederenwagons vervoerd en wilde men dat tegenover buitenlanders niet weten? De rails waren allerminst roestig. Ik ga door mijn knieën, maar onderdruk nog net de impuls om mijn oor tegen het ijzer te drukken als ik achter me gerucht hoor. Het is de vrouw op slippers met het pannetje voedsel op haar hoofd. Ik volg met mijn blik de sierlijke gang van haar ranke gestalte naast het spoor. Iets verderop zie ik een beweging door haar lichaam varen, als onderdrukte ze een giechel en haar hand gaat even naar het schommelende pannetje.

Als ik me laat in de middag weer op het station meld, is de sfeer opgelucht. De trein heeft vijfhonderd kilometer naar het zuiden een ongeluk gehad en zal zeker niet voor zondag Bauchi passeren, waarna hij op zijn vroegst maandag weer voorbij zal komen in zuidelijke richting.

,,It ran into a...''

,,Cow'', roept zijn collega, juist als de Chief `truck' zegt.

,,A truck... with cows'', verduidelijkt de Chief.

Ik kijk van de een naar de ander. Dan breekt het in me en ik geef op. Ik bedank de heren hartelijk voor hun geduld met mij en hun niet aflatende coöperatie. Ik snuif nog een keer de geur van oud hout op en sta met twee passen weer buiten. Maar bij het zien van de aanwas van mensen op het perron bekruipt me een onbehaaglijk gevoel en dat gevoel krijgt tegen de avond wel een heel sterke impuls als veraf maar onmiskenbaar en juist als mijn bagage in die vermaledijde bus is geschoven, de hese en mij altijd weer kippenvel bezorgende signaalhoorn de avondstilte openrijt. Meteen vlamt de begeerte op, maar als het geluid zich niet herhaalt, twijfel ik en houd ik het, wie weet om me zelf te beschermen, op zinsbegoocheling.

Dit is de laatste aflevering in een serie over bijzondere treinreizen in de wereld.

    • Sierk van Hout