Twee eeuwen op de barricaden

`Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil'. Met deze slogan bij een prent van Albert Hahn over de spoorwegstaking van 1903 wordt de kracht van het stakingswapen bondig onder woorden gebracht. Sinds wanneer zetten ontevreden arbeiders hun eisen kracht bij door het werk neer te leggen? Werd er vroeger anders of vaker gestaakt dan nu?

Koning Willem I staat in Nederland niet alleen bekend als de Koning-koopman, maar ook als de kanalenbouwer. Tijdens zijn bewind werd de infrastructuur in rap tempo verbeterd. Het aanleggen van wegen en het graven van de kanalen gebeurde nog geheel met de hand. Zo groeven in 1823 duizenden ongeschoolde arbeiders het bijna 80 kilometer lange Noord-Hollands Kanaal. Aannemer Huyskens had dit karwei zeer goedkoop aangenomen en wentelde deze misrekening af op zijn arbeiders door hen onder zeer slechte omstandigheden te laten werken. Onvrede kon niet uitblijven. Al snel werd de eerste stakingsoproep gedaan en deze is letterlijk overgeleverd. `Jongens, wij moeten morgen niet werken, en die aan het werk gaat moeten wij met de Spade tussen hals en nek slaan, dan krijgen wij opslag'. Na ruim een week staken trok een bonte stoet arbeiders op naar de keet van Huyskens, onder aanvoering van iemand met een rode vlag. De menigte groeide aan tot zo'n driehonderd man, die om het hoofd van de aannemer vroegen. Enkelen van hen, overmoedig geworden door het drinken van veel jenever, wilden de baas uit zijn keet halen. Deze schoot daarop twee man dood en verwondde een derde. Hoewel enkele vennoten de gemoederen enigszins wisten te bedaren, konden ze niet voorkomen dat Huyskens alsnog werd doodgeslagen.

Na de dood van de aannemer werd de rust weliswaar hersteld, maar de omstandigheden veranderden niet. Binnen een maand kwam het dan ook tot nieuwe ongeregeldheden en in augustus brak wederom een staking uit. Ook het jaar daarop staakten de arbeiders, maar de overheid was er nu op voorbereid en smoorde het verzet in de kiem.

Deze uitingen van onvrede door grondwerkers zijn enkele van de bijna 15.000 stakingen die vanaf het begin van de negentiende eeuw tot aan het eind van de twintigste eeuw in Nederland zijn uitgebroken. Tot dit indrukwekkende aantal komt de Leidse historicus Sjaak van der Velden, die overigens als timmerman de kost verdient. Vanaf 1970 houdt het fenomeen staking hem al bezig. Gedurende vele jaren heeft hij kranten, knipselarchieven, publicaties van het CBS en secundaire literatuur doorgespit en alles verzameld wat in de verste verte ook maar iets met een staking te maken heeft. In zijn dissertatie heeft hij dit reusachtige bestand uitputtend geanalyseerd.

Zo weten we nu dat de hierboven genoemde stakingen bij het graven van het Noord-Hollands Kanaal min of meer typisch zijn voor het grootste deel van de negentiende eeuw. Stakingen kenden in deze jaren vaak een gewelddadig verloop. Voor een deel was dit een gevolg van het overvloedig drankgebruik, maar ook het tot 1872 bestaande stakingsverbod speelde hierbij een rol. De overheid ging tamelijk snel over tot het inzetten van politie en/of leger, hetgeen in veel gevallen een averechtse uitwerking had. Nog aan het eind van de negentiende eeuw waren de steeds maar uit de hand lopende stakingen voor de minister van oorlog aanleiding om de marechaussee met revolvers te bewapenen, aangezien was gebleken dat het gebruik van karabijnen in een kleine ruimte zinloos was.

De arbeiders merkten dat hun ongeordende en ongeorganiseerde `ad-hoc-acties' zelden of nooit succes opleverden. Daarom bundelden zij, met name in het laatste kwart van de negentiende eeuw, hun krachten in vakverenigingen die tot doel hadden voor de leden goede arbeidsvoorwaarden te bedingen. Een tijdlang bestond er binnen de vakbeweging een stroming die hoopte dat zij een rol kon spelen bij de omverwerping van het kapitalisme. Deze stroming – met Ferdinand Domela Nieuwenhuis als charismatisch boegbeeld – heeft zich echter overleefd en kon het niet bolwerken tegen de pragmatici, die de vakbeweging binnen het kapitalistische stelsel als verkoopkartel van de arbeidskracht wilde laten optreden.

De `moderne beweging', zoals laatstgenoemde groep – met Henri Polak als de voorman van het eerste uur – genoemd werd, groeide na de spoorwegstaking van 1903 uit tot de dominante richting. Een beslissende fase in het proces van institutionalisering van de arbeidsverhoudingen was, enkele jaren daarna, de oprichting van het NVV, dat in 1981 opging in de FNV. Vanaf dat moment bleef er voor de arbeiders steeds minder ruimte over om zelfstandig op te treden. Alle actie diende via de vakbondskanalen plaats te vinden. Als arbeiders toch buiten de bonden om in actie kwamen – de `wilde' stakingen – troffen ze vaak de vakbondsbesturen als tegenstander tegenover zich.

De eerste helft van de twintigste eeuw stond in het teken van de steeds verder gaande integratie van de vakbeweging in de organisatie van het sociaal-economisch leven in Nederland. Dit proces vond zijn bekroning in het fameuze harmoniemodel, de voorloper uit de jaren vijftig van het huidige poldermodel. Inherent aan dit stelsel, dat dreef op de kurk van de geleide loonpolitiek, was dat er geen ruimte was voor het stakingswapen. Pas in de jaren zestig durfden de erkende bonden weer een oproep tot staking te doen, en dan nog zeer mondjesmaat en slechts na zware druk van onderop. In de jaren zeventig gebruikten de centrales vrijelijk het stakingswapen. Dat gebeurde na een ongekend felle, spontane en buiten de bonden om georganiseerde stakingsgolf in 1970. De bonden begrepen nu dat ze moesten vechten, wilden ze hun geloofwaardigheid tegenover leden, ondernemers en overheid niet verliezen.

Tijdens de economische recessie, die na 1973 inzette en tot eind jaren tachtig aanhield, toonde de vakbeweging zich steeds weer bereid de korte-termijnbelangen van de arbeiders opzij te schuiven.

In het Akkoord van Wassenaar werd de afspraak bezegeld dat als de ondernemers hun best zouden doen banen te scheppen, de vakbeweging in ruil daarvoor haar looneisen zou matigen. De toenmalige voorzitter van de FNV, Wim Kok, is momenteel premier van ons land en wordt wel eens het ultieme bewijs genoemd dat de bondsbestuurders definitief de barricaden voor het pluche verruild hebben. Maar komt deze veronderstelling ook met de feiten overeen?

In Stakingen in Nederland. Arbeidersstrijd 1830-1995 probeert Van der Velden een antwoord te vinden op de vraag of er tegenwoordig inderdaad minder wordt gestaakt dan pakweg 50, 100 of 150 jaar geleden. Hij heeft een opmerkelijke lacune in de sociaal-economische geschiedschrijving opgevuld.

De auteur heeft zijn bestand met bijna 15.000 stakingen op de meest uiteenlopende manieren doorzocht. Soms leverde dit conclusies op die op voorhand verwacht konden worden. Zo is de uitkomst voor de hand liggend dat het overgrote deel van de stakingen (84,2 procent om precies te zijn) over arbeidsvoorwaarden ging. Uiteraard draaide het hierbij vooral om de hoogte van het loon en de arbeidsduur. Van der Velden maakt duidelijk dat de primaire arbeidsvoorwaarden als hoofdeis in de loop der tijd aan belang inboette: van ruim 95 procent rond 1890 naar 55 procent een eeuw later. Secundaire arbeidsvoorwaarden als hoofdeis (zo is er in 1910 in Enschede gestaakt voor het verkrijgen van deksels op de privaten en in 1995 door agenten van de Rotterdamse parkeerpolitie om een wapenstok te mogen dragen) en stakingen tegen het bedrijfsbeleid werden daarentegen steeds belangrijker.

Andere door Van der Velden gestelde vragen leveren uitkomsten op die minder voor de hand liggen en in zekere zin zelfs het bestaande geschiedbeeld ondergraven. In de geschiedschrijving over de sociale kwestie overheerst het beeld dat de pastoors en dominees zich vrijwel altijd verzet hebben tegen stakingen. Waren Kroon, Kapitaal, Kazerne en Kerk (in een aantal gevallen nog aangevuld met Kroeg) er immers niet eendrachtig op uit de arbeidersmassa te ketenen om hen optimaal te kunnen uitbuiten? In de literatuur wordt het idee herkauwd dat in veel gevallen gelovige arbeiders actief stakingen hebben bestreden, terwijl de socialistische bonden strijd voerden. Op het eerste gezicht lijkt er, wat betreft betrokkenheid bij stakingen, een groot verschil te bestaan tussen de socialistische bond aan de ene kant (NVV, en later FNV) en de confessionele bonden anderzijds (met name NKV en CNV). Van der Velden toont aan dat het NVV gedurende vrijwel de gehele periode vaker dan de confessionele organisaties bij stakingen betrokken was.

Toch is een relativering op zijn plaats. Het NVV heeft altijd veel meer leden gehad dan de andere centrales en het ligt alleen al op grond van die ledenaantallen voor de hand dat het NVV vaker heeft gestaakt. Daarom heeft Van der Velden de stakingsactiviteit gerelateerd aan de omvang van de centrales. Het beeld wordt dan heel anders. Weliswaar neemt het NVV in de meeste jaren nog een koppositie in, maar in diverse jaren moet het zowel de protestanten als de katholieken voor laten gaan. Opmerkelijk is dat met het in de regering komen van de PvdA, met vakbondsman Wim Kok als achtereenvolgens fractievoorzitter, minister van Financiën en premier, het CNV kans zag om de FNV in te halen en zelfs voorbij te streven.

Is de stakingsactiviteit in de loop van de afgelopen twee eeuwen toe- of afgenomen? Van der Velden concludeert aan de hand van een door hem opgestelde stakingsindex dat de stakingsactiviteit niet verminderde maar juist toenam: de periode 1911-1940 kwam uit op een gemiddelde van 36, tegenover 57 voor de periode 1945-1995. In de loop van de twintigste eeuw daalden de frequentie (aantal stakingen) en de duur (aantal gestaakte dagen),maar door de enorme toename van de intensiteit (aantal stakers) is die daling ruimschoots gecompenseerd.

Herhaaldelijk stelt Van der Velden vast dat het karakter van de stakingsbeweging aanmerkelijk is veranderd. Aan het begin van de eeuw werd het beeld vooral bepaald door vele tientallen, of zelfs hondertallen stakingen per jaar, waaraan relatief kleine groepen arbeiders meededen die het vaak lange tijd volhielden. Aan het eind van de periode wordt het beeld vooral bepaald door een gering aantal stakingen, waaraan soms honderdduizenden arbeiders deelnamen. Meestal worden deze conflicten niet vanuit onwrikbare stellingen uitgevochten. Nu eens hier, dan weer daar leggen arbeiders voor korte tijd het werk neer volgens een door de vakbonden centraal geleide regie.

De uitkomst van dit onderzoek zal de auteur, die in zijn jonge jaren tot de Peking-communisten behoorde, niet onwelgevallig zijn. Hij sluit zijn studie in het Nawoord met de volgende ontboezeming af: ,,Dromen van een revolutie in Nederland doe ik niet meer. Juist omdat ik niet meer droom is het me duidelijker dan twintig jaar geleden, dat de hele wereld draait om de macht van het kapitaal. De schijn bedriegt in deze vaak, maar het primaat van de economie is tegenwoordig groter dan in de jaren dat Marx leefde en werkte.

In ieder geval is het in tijden van economische neergang voor arbeiders zaak zich niet zonder strijd verslechteringen op te laten dringen. Regering en werkgevers geven nog steeds niet graag hun macht en rijkdom uit handen en staan slechts af wat zij af willen staan. De rest moet bevochten worden.' En als het aan Sjaak van der Velden ligt is deze strijd nog lang niet gestreden.

Sjaak van der Velden, Stakingen in Nederland. Arbeidersstrijd 1839-1995 (Stichting Beheer IISG / NIWI; Amsterdam, 2000) 387 blz. en CD-Rom; ISBN 90 6861 191 7; prijs ƒ 79,90.