Trou Moet Blycken

Arabeske

Een stilte is in de natuur

als het binnenste blauw van een vuur.

In de velden grazen de dieren,

paarden en zwarte stieren.

In de heldere wateren der aarde,

diep verlicht en klaar,

spelen visschen met roode staarten,

zwaar geschubd en zwierig,

het gebladerte dun en tierig

hangt er over en spiegelt zich.

J.W.F. Werumeus Buning (1891–1958)

Werumeus wie? Ooit moet hij net zo bekend zijn geweest als Bloem, Nijhoff, Roland Holst en Achterberg, want ook uit zijn werk verscheen een bloemlezing in de vorm van een `Ooievaartje', oplage tienduizend exemplaren. Dat was in 1957. Misschien dat er nu nog drie mensen weet hebben van het feit dat er een dichter met die naam rondliep. Ze zullen hem vast niet verwarren met de negentiende-eeuwse schrijver Werumeus Buning, want die is vergeten door de volle honderd procent van de lezers. Toch was ook die Buning in zijn tijd behoorlijk populair. Marineschetsen, en zo meer. `Vele herdrukken', meldt de encyclopedie. Een vergeten dichter die geen spoor van associatie meer oproept met een oudere naamgenoot, hoewel ze ooit allebei lievelingen van het publiek waren, de ene verguisd door de tachtigers en de andere door de vijftigers, dat heet met recht Werumeus dubbelwie?

Door één gedicht, van bloemlezing tot bloemlezing overgeërfd, is de twintigste-eeuwse Werumeus Buning, J.W.F., misschien nog enigszins blijven leven –

Zo tedere schade als de bloemen vrezen

zo begint dit estafette-gedicht. De aforistische beginregel duidt er al op dat dit een goed-burgerlijk en multi-toepasbaar sonnet gaat worden over de menselijke conditie en het eeuwige tekort. Zulke gedichten moeten er zijn. Voor de rest is zijn oeuvre voorbij, voorgoed voorbij – dat geldt ook voor zijn prozawerken over wijn en pijptabak, zijn vele `avonturen met de pollepel', zijn wandelingen door Nederland.

Er valt zelfs geen speelgoedlans te breken voor een poëtisch eerherstel van J.W.F. Werumeus Buning. Hij is weggezakt in het moeras van de dichters die te snel klaar waren en te snel tevreden. Sjablonen, dooddoeners, oerdegelijke verhevenheden. Klanken uit een andere wereld, het Polygoon-journaal van de poëzie. Zijn naam is besmet. Als een bankbediende ging hij de ballade en als een Jan Klaassen de Spaanse copla te lijf.

Toch moet er in zijn werk af en toe iets gezeten hebben, anders was het in zijn tijd niet komen bovendrijven. Af en toe. Iets. Om die glimmende kiezels gaat het. Ik sta in die opvatting over de waarde van twee, drie gedichten van Werumeus Buning, J.W.F., niet alleen.

Hendrik de Vries ergerde zich in de jaren vijftig aan Bunings populariteit, juist omdat hij `aan het begin van zijn dichterlijke loopbaan zelfs enkele van de schoonste gedichten voortbracht die wij kennen'. Hendrik de Vries zal daar zeker het sonnet Zo tedere schade als de bloemen vrezen... onder gerekend hebben.

In haar boek over Ida Gerhardt, De wereld van het vers, noemt haar vriendin Marie van der Zeyde het bijgaande Arabeske van Werumeus Buning van een `verbijsterende volmaaktheid'. Ik citeer uit de druk van 1998. Je kunt gerust stellen, gezien de osmose die er tussen de vriendinnen bestond, dat ook Ida Gerhardt er zelf zo over dacht.

Een klein hoeraatje, dus, voor Werumeus Buning – van de kant van twee formidabele dichters.

Arabeske, uit de bundel Hemel en Aarde van 1927, mag er inderdaad zijn.

,,Soms ziet men dat het een dichter gelukt een volmaakt gedicht te scheppen dat eigenlijk geen `inhoud' heeft en alleen maar bestaat als een schepping van taal'', schrijft Marie van der Zeyde, en even verderop: ,,Men kan niet zeggen dat dit een beschrijving is, en een mededeling of een uitdrukking van gevoelens is het nog minder. Het vers is alleen maar zichzelf.''

Poésie pure, zouden we zeggen.

Marie van der Zeyde noemt nergens de titel, maar deze onderwerploze ornamentiek is precies wat het woord arabeske betekent. Abstracte schoonheid, louter voor het genoegen van vorm en klank. Vrije val, repetitie, cirkelgang. Droomhiëroglyfen.

Grazen, paarden, zwarte, wateren, aarde, klaar, staarten, zwaar, gebladerte.

Dieren, stieren, diep, zwierig, tierig, spiegelt.

Het begint met stilte en een implosie en het eindigt met een spiegelbeeld. Het is nu eens statisch, dan weer in beweging. Zijn, grazen, spelen, zwieren, hangen. Frappante ijkpunten vormen de kleuren – blauw, zwart, rood – en de elementen – vuur, aarde, water. Nu eens gloeit het beeld, weggezogen in as en schaduw, dan weer is alles helder, verlicht en klaar.

Licht en diep en zwaar en zwierig bestaan naast elkaar, simultaan en zonder interactie.

Het totaalbeeld is uiteindelijk een gestold beeld, dieren en planten in slagorde, onaandoenlijk en onaangedaan, een onderwaterbeeld.

Daar, onder water –

spelen visschen met roode staarten

– het is de enige regel van het gedicht waarin de spelling van 1927 afwijkt van de onze. Het is verleidelijk die spelling zo te handhaven. Visschen zijn volumineuzer dan vissen en roode staarten een graadje roder.

Achter dat aquariumvisioen blijft het woord blauw nadreunen, het enige woord in het gedicht dat niet over enige klank-echo beschikt. De au is een weeskind in deze compositie.

Een ander weeskind is dat woordje zich aan het slot. Het probeert zich een beetje aan te schurken tegen het zwierig en tierig (ig en ig) in de beide regels ervoor, met als enig effect dat het isolement wordt versterkt. Het vrijzwevende van een ongenaakbaar spiegelbeeld. Het spiegelvlak heeft alles opgeslorpt en het sluit zich.

De beweging is absolute stilte geworden, de natuur een vacuüm, de volheid niets. Is het toevallig dat juist een arabeske een toevalstreffer werd?