Nederland buiten de bebouwde kom

Ik wil naar het koebos gaan. Naar de ontluikende lente in het Hollandse polderland. Naar de `oase' van het weidegebied. Althans, zo noemt de informatieve folder van landschapsbeheer Zuid-Holland deze `kleine bosjes van els, es, wilg en populier'. Midden tussen die eentonige grasvlakten, wil ik gaan kijken naar de `weelde van planten, kruiden, struiken en mossen'. Op zoek naar de ontluikende braam, gele lis, valeriaan en dagkoekoeksbloem. Getuige zijn van de eerste activiteiten van sluipwesp en loopkever. Speuren naar knobbelzwanen, tjiftjafs, sperwers en tuinfluiters. Een hermelijn, wezel of bunzing betrappen of desnoods de padden, kikkers of salamanders van vroeger (die je dan ving, in een glazen pot bij je bed zette, waarna ze ontsnapten en je weken later hun kleine grijze mummies in een donkere hoek terugvond).

Het koebos – landschapsbeheer Zuid-Holland spreekt liever van `geriefhoutbos' – heeft een eigen ecologische waarde omdat veel van de genoemde planten- en dierensoorten alleen daar, in die bosjes, in afzonderlijke onderling afhankelijke leefgemeenschappen voorkomen.

Deze bosschages, vaak niet meer dan enkele honderden vierkante meters groot, heten koebos (of pestbos) omdat wordt aangenomen dat boeren in vroeger tijden daar vee hebben begraven dat was gecrepeerd aan miltvuur. Een hyperbesmettelijke veeziekte, waar mensen bovendien ook ziek van worden en zelfs aan kunnen overlijden. Daarom liggen die bosjes vaak ver af van boerderijen en zijn ze omgeven door een ringsloot: die moest ervoor zorgen dat het andere vee niet besmet kon worden. Landschapsbeheer gaat er echter vanuit dat deze bosjes meestal zijn aangelegd door boeren om te voorzien in de houtbehoefte voor het dagelijks gebruik (`geriefhout'): dus hout van de es voor stelen van gereedschappen, berk voor bezems, wilg voor de kachel. En die sloot beschermde het hout voor vraat van het vee. Maar goed, koebos of geriefhoutbos: de ene verklaring sluit de andere niet uit.

De koebosjes raakten met de schaalvergroting in de landbouw en door de overbodigheid van `geriefhout' vanaf de jaren vijftig in de versukkeling. De opkomst van het milieubewustzijn in de jaren zeventig betekende een revival voor het koebos, maar inmiddels was meer dan de helft van het oorspronkelijke aantal bosjes opgeruimd of omgevormd tot zomerhuisdomein, puinstortplaats of volkstuin. Sindsdien worden de vaak honderden jaren oude bosjes beschouwd als cultuurhistorisch belangrijke landschapsmonumenten.

Als ik het Leidse Centrum voor Milieukunde bel, suggereert men daar om op excursie te gaan met R. van der Meijden, auteur van Heukels' Flora van Nederland. Maar deze acht zichzelf te weinig specialist, verwijst door naar de provincie, en waarschuwt: ,,Miltvuurbacteriën kunnen op die plekken nog in de grond zitten en zelfs na vele jaren gevaar opleveren.'' Niet voor niets is anthrax, de Engelse term voor miltvuur, door verschillende landen in gebruik als biologisch wapen.

Bij Landschapsbeheer Zuid-Holland kan men helaas niet helpen. De dienst heeft alle activiteiten in het buitengebied gestaakt, legt een voorlichter uit, in verband met de uitbraak van mond- en klauwzeer. Alle onderhoud aan koebosjes door vrijwilligersgroepen is opgeschort, net als bijvoorbeeld het werk van `vogelgroepen'; vrijwilligers die zich bezighouden met het inventariseren van vogels in het broedseizoen. De eigenlijke heksencirkels van minister Brinkhorst rond besmette boerderijen, waarbinnen alle tweehoevigen preventief worden geslacht, zijn ver verwijderd van Zuid-Holland. Sinds gisteren is de helft van Nederland door Landbouw geblokkeerd, de andere helft, zo blijkt nu, heeft zichzelf geblokkeerd. Niemand wil verantwoordelijk zijn voor een nieuwe uitbraak buiten die besmettingszones. En de boeren zelf willen daarom niemand op hun land of erf. De facto blijkt heel Nederland buiten de bebouwde kom verboden gebied.

Dat er iets aan de hand was met de intensieve manier waarop de veeteelt bedreven wordt in de Lage Landen, was natuurlijk al langer duidelijk. De actiegroep Wakker Dier, en haar voorganger Lekker Dier, die jarenlang campagnes voerden tegen de ziekmakende praktijken van de bio-industrie krijgt haar gelijk dagelijks per krantenkop gepresenteerd. Het merkwaardige van de discussie over de MKZ-crisis in Nederland is overigens dat die nauwelijks gaat over onderliggende economische motieven voor de grootschalige fok van vee. En nu, mutatis mutandis, de massale slacht. Het gaat ook niet over de obsceniteit daarvan in het licht van voedseltekorten elders in de wereld. Of over de transatlantische redenen voor het niet-inent-beleid van koeien, varkens en schapen. Mond- en klauwzeer is vergeleken met het miltvuur onder de koebosjes immers niet meer dan een tweehoevig zomergriepje. Ook gaat het niet over de vraag of door dat niet-enten een hele bedrijfssector niet op wel érg risicovol en smal fundament is gebouwd.

Nee, de discussie in Nederland gaat over nare middeleeuwse brandstapels, die de burgerij niet wil. Het gaat over het doodmaken van `lammetjes'. Over de traan in het oog van de boer. Er is, godbetert, een stille tocht geweest voor de voortijdig aan hun eind gekomen braadlappen en karbonades. Het stoere-jongens-ferme-knapen zelfbeeld van die gesloten naar binnen gekeerde Nederlanders dient drastisch in sentimentele richting te worden bijgesteld.

En mensen die denken dat zij met Pasen de paden op kunnen, of de lanen uit om te genieten van de lente in de vrije natuur, moeten hun plannen omgooien. Een avontuurlijke wandeling door het stadspark, langs muurvegetatie en groenstrook op zoek naar mus, spreeuw en zwerfduif, meer zit er dit jaar niet in.

fgv@nrc.nl

    • Frank Vermeulen