Naar het vuurofferfeest

Het weekend stonden we om half zes op. Om naar Weg naar Zee te gaan, waar een yajña, vuurofferdienst, werd gehouden. Voor het eerst werd een yajña zo groots en op landelijke schaal georganiseerd. 160.000 ahoti's, vuuroffers, in vijf dagen! Vijftig pandits uit het hele land namen eraan deel. Een ieder was welkom, hadden de organisatoren in de Ware Tijd gemeld, waarbij ze de hoop uitten dat de yajña ,,bijdraagt aan de verbetering van de situatie van land en volk''.

Weg naar Zee is een paar kilometer lange weg door open kustlandschap. Hij begint bij Genade Snacks op de Kwattaweg en gaat langs wat huisjes, koeien, een tempel, en eindigt bij zee. Daar hebben de Hindoestanen behalve hun crematieplaats ook een bedevaartsoord. De crematieplaats is het mooiste startpunt ter wereld voor de laatste reis, in dit geval een terluchtbestelling. ,,Stel je voor dat je lijk op een brandstapel in de open lucht ligt te branden'', fantaseer ik. Je as waait op over dit prachtige ruime landschap, aan de rand van de zee met zijn eb en vloed, de vogels erboven. Vissers lopen door het wad, of komen met bootjes aanvaren. Je familie deelt eten en drinken uit, want ze mogen pas weg als je helemaal bent opgebrand. Maar niet iedereen vindt het hier even mooi. ,,Is wel wer'ede, hinderlijk'', vindt mijn buurvrouw, ,,hoe mensen hier hun vuilnis storten.''

Het bedevaartsoord staat op een landtongetje, tegen de zee versterkt door een dijk van autowrakken. Er staat een wit tempeltje met godenbeelden ervoor. Voor mijn Europese ogen ziet het er kermisachtig uit. In de wind wapperen gele, rode en paarse vlaggetjes, die worden opgericht aan het einde van een ritueel. De goden zijn in felgeel, rood, hardroze, lichtblauw en groen geschilderd. Soms zitten ze op een transportmiddel. Zo zit Ganga, de godin van de rivier, op een krokodil. Bij de beelden staan vooral meisjes heel vroom kijkend te bidden. ,,Zeker vragen ze om een nette man, als ze uitgehuwelijkt worden'', veronderstelt mijn buurvrouw.

Als we aankomen, zitten brahmanen uit de veda's te reciteren. We pakken een stoel en gaan met onze rug naar de brahmanen zitten om de zon boven zee te zien opkomen. ,,Mi sa singi a son opo kon'' (Ik zal zingen om de zon te laten opkomen), klinkt in mijn hoofd tussen de heilige teksten door. Een gedicht van Michaël Slory, een van de grootste Surinaamse dichters.

,,Hoe gaat met u? Vindt u het mooi?'' Een kennis komt een praatje maken. Hij loopt rond in een oranje doek en draagt een bak met bloesem, die bij het offeren gebruikt wordt. ,,Die biddende meisjes'', verklaart hij, ,,zijn jonge maagden en ze symboliseren zuiverheid.''

Later op de dag begint een uren durend ritueel van vuuroffers. Een pandit reciteert uit veda's. Hij wordt beantwoord door de brahmanen en door andere pandits, die met een lange lepel offerandes, zoals ghee, rijst en zoetigheid, in het vuur gooien. Holy smoke!

Het publiek staat eromheen en houdt de handen tegen elkaar gevouwen. Buiten wapperen de vlaggetjes, witte wolken varen door de blauwe lucht, in een veldkeuken staan vrouwen te koken, de zon blikkert op een buswrak. En rondom is de zee. Het is eb en krabbetjes werken zich uit de modder naar boven.

,,Het hele volk weet de rotishops te vinden, maar hier zie ik alleen Hindoestanen'', moppert mijn buurvrouw. Wij zijn de enige bakra's (blanken), verder loopt er een enkele creool rond. Veel dingen gebeuren hier in monocultureel verband. Als de Nationale Vrouwenbeweging iets organiseert, komen er vooral creoolse vrouwen. In het zwembad van De Witte Lotus dobberen voornamelijk Chinezen. Maar bij de Javaanse warung waar we na bezoek aan de yajña eten, zit weer een moksi patu, een mengelmoes.

    • Robertine Romeny