Landverhuizerspijn

Heerlijke stranden, nieuwe kansen, werk genoeg, geld te over: Australië was in de jaren vijftig en zestig voor veel Nederlanders het land van melk en honing. Gestimuleerd door de Nederlandse overheid, (,,Emigreren is vooruitzien'') die uit angst voor overbevolking de overtocht betaalde, staken duizenden emigranten vol goede moed de oceaan over. De Australische overheid zat op ,,New Australians'' te wachten, die het land mee zouden helpen opbouwen.

Na een bootreis van zes weken, die hen als romantische cruisevakantie was voorgespiegeld in de propagandafilms, werden de landverhuizers tijdelijk opgevangen in het ontvangstcentrum Bonegilla, 600 kilometer ten noorden van Melbourne. Bonegilla bestond uit barakken van plaatijzer, om het woonkamp lag prikkeldraad en de omgeving was zompig en nat, waardoor het er stikte van de vliegen. Op de trein naar het voormalig militair kamp kregen mannen die al een baan hadden een blauwe button.

Degenen zonder `job' moesten een groene opspelden. Deze laatsten werden gescheiden van hun vrouwen en kinderen en kregen onder meer werk in waterkrachtcentrales in de honderden kilometers verderop gelegen Snowy Mountains.

Daar verbleven ze vele weken, zonder hun gezin. Advocaten gingen aan de slag als schoonmaker en artsen als timmerman. Mannen die bij Pearth via het migration office werk zochten, zagen spandoeken met teksten als Go home en We don't want you.

Wie de tentoonstelling `Australië roept' in Museum Willem van Haaren in Heerenveen bekijkt, ontdekt de andere, veelal onbekende kant van het emigratieverhaal. Want de eerste kennismaking met hun nieuwe vaderland viel de meeste Nederlandrs vies tegen. Bonegilla, dat tot 1971 Nederlandse emigranten bleef opvangen, was voor velen een naargeestig concentratiekamp.

The Herald omschreef het als ,,een mengelmoes van frustratie, angst en verwachting.'' Corrie van Corler beschreef in 1952 in haar dagboek de aankomst in Boneilla. ,,(We) zagen soldaten met geweren op hun rug. Kennelijk was er een relletje geweest onder de migranten. Het was nat en bitter koud. Als ze gezegd hadden `hier is een retourticket naar Holland', dan weet ik zeker dat velen van ons meteen waren teruggekeerd.''

Dat deed dan ook een derde van de in totaal 160.000 Nederlanders die niet konden aarden in het land ,,down under''.

Op de tentoonstelling kan de Australische voorlichtingsfilm worden bekeken, waarin het leven in het nieuwe vaderland van zijn beste kant wordt getoond. Verder zijn er levensgrote foto's te zien die het dagelijkse leven in Bonegilla laten zien, cartoons, affiches en krantenberichten. In één ervan uit 1961 is te lezen over een opstandje in Bonegilla.

Honderden mannen scanderen dat ze werk willen en een paar gooien met stenen. De Australische minister Downer zei in een reactie: ,,Such behavior will not be tolerated in this country.'' Verveling, sprak hij, is het grootste probleem. Sommigen verbleven een half jaar of langer in het wooncentrum. De parallellen met de huidige landverhuizers, de asielzoekers, dringen zich op.

De tentoonstelling is samengesteld door Dirk en Marijke Eysbertse, die respectievelijk in de jaren vijftig en zestig emigreerden naar Australië en nu afwisselend in Nederland en Australië wonen. Zes jaar geleden zagen ze de vervallen barakken van Bonegilla en raakten ze geïnteresseerd in de geschiedenis van de emigranten. Ze spraken met tientallen Nederlandse landverhuizers die hun vertelden over de harde werkelijkheid in het kamp. Heimwee speelde velen parten.

In brieven aan het thuisfront werden deze gevoelens en de ontnuchterende ervaringen overigens vrijwel altijd verzwegen. Wie vertrok, zocht het avontuur en wilde er het beste van maken.

De meesten slaagden er ook in een nieuw leven op te bouwen. Dat dit minder snel en voorspoedig ging dan was beloofd, werd al snel vergeten. De reacties in het gastenboek van het museum spreken wat dit betreft boekdelen. ,,Blij dat we niet gegaan zijn, afgeraden door jeugdleider. Hier is voor mensen met twee rechterhanden ook werk. Geld al gestort in 1954, toch niet gegaan.''

De tentoonstelling in Heerenveen krijgt een definitieve plaats in Bonegilla, dat zal worden ingericht als museum.