`In de jazz bestaat er geen vakantie'

Door een gesprongen bovenlip kon trompettist Freddie Hubbard jarenlang niet optreden. Maar nu viert hij zijn comeback, compleet met een nieuwe cd.

Oude helden sterven niet, die glijden langzaam de vergetelheid in. Dat lot leek Freddie Hubbard (Indianapolis, 1938) tot voor kort ook beschoren. Van de hard bopper, wiens gespierde trompetspel te horen is op klassieke jazzalbums als John Coltrane's Ascension, Eric Dolphy's Out to Lunch en het revolutionaire Free Jazz van Ornette Coleman, werd bijna een decennium lang niets vernomen. Maar vorig jaar dook hij plotseling weer op tijdens het North Sea Jazz Festival. En deze week verschijnt dan het album dat zijn definitieve comeback markeert: New Colors.

Het verhaal achter Hubbards jarenlange afwezigheid van het jazzpodium laat zich aanhoren als de ergste nachtmerrie van iedere trompettist. Na een overvolle Europese tour in het najaar van 1992, stoomde hij meteen door naar een serie club-optredens. Al de eerste avond dat hij op het podium van het befaamde New Yorkse Blue Note stond, sloeg het noodlot toe: zijn bovenlip sprong. Maar in plaats van te rusten, blies Hubbard stug door en wel met het stormkracht 10-volume dat altijd zijn handelsmerk is geweest. Een ernstige infectie was het gevolg, de doktoren vermoedden een kankergezwel en een operatie was uiteindelijk onvermijdelijk. ,,Mijn wereld stortte in elkaar; in een klap was ik mijn embouchure kwijt'', vertelt Hubbard, op wiens lip nog steeds een lelijk litteken te zien is. ,,Veertig jaar lang speelde ik iedere dag, op meer dan driehonderd platen is mijn trompet te horen. En dan kan je plotseling niet meer optreden, moet je je bescheiden opstellen. Geen werk meer, geen respect meer, geen geld meer. Ik was zwaar depressief.''

Natuurlijk was hij wel gewaarschuwd. Hubbard is per slot van rekening niet de eerste trompettist met `busted chops'. Miles Davis, die ook eens vijf jaar uit de roulatie moest vanwege kapotte lippen, beet hem meerdere malen toe dat hij het `verdomme eens rustig aan' moest doen. ,,Maar ik was niet zuinig op mijn lijf'', verzucht Hubbard nu. ,,Ik warmde nooit op en begon meteen hard van start. Dat is wat mensen van mij verwachtten en ik zou ze niet teleur stellen. Bovendien feestte ik teveel met de popmuzikanten waar ik mee omging. Teveel Jack Daniels en teveel dope. Die rockers houden het langer vol omdat ze zich kunnen veroorloven om ieder jaar een paar maanden rust te nemen. Maar als je in de jazz werkt dan bestaat er niet zoiets als een vakantie. Vroeg of laat haalt zo'n levensstijl je dan in.''

En nu moet de revaliderende Hubbard het noodgedwongen langzaamaan doen. Op New Colors leunt hij op de jonkies van The New Jazz Composers Octet. De leider van dit ensemble, David Weiss, neemt de trompetpartijen voor zijn rekening terwijl Hubbard zich beperkt tot kornet. ,,Dat orkest is een soort veiligheidsgordel, extra aankleding om te zorgen dat ik niet te hard hoef te blazen. En het bespelen van de kornet kost ook minder energie dan de trompet. Toch zal dat altijd mijn tweede instrument blijven. De kornet is meer een hoorn voor ballads en ik ben nu eenmaal een geboren hardblazer.''

Van de acht nummers op het nieuwe album zijn alleen `Blues for Miles' en `Dizzy's Connotations' – opgedragen aan Hubbards grote voorbeelden – verse composities. De overige zes zijn arrangementen van oud materiaal, waaronder Hubbards `signaturetune' `Red Clay'. ,,Het zijn oude nummers die iedereen kent'', geeft de trompettist toe. ,,Maar de instrumentatie is nieuw, veel breder. Na zoveel jaar afwezigheid leek het me een goed idee om het geheugen van mensen weer even op te frissen. Dat ze weten: `O ja, die Hubbard, die heeft in de sixties al die platen gemaakt'. Maar het is wel de bedoeling dat er hierna een album komt met volledig nieuw materiaal en meer gesoleer van mijn kant.''

Volgens de manager van Hip Bop, het platenlabel dat het aandurfde de door anderen afgeschreven trompetgigant een tweede kans te gunnen, moet Hubbard zich leren schikken in een nieuwe rol. Hij zou een voorbeeld moeten nemen aan zijn voormalige leermeester, de drummer Art Blakey, die zich op latere leeftijd vooral presenteerde als vaderlijk promotor van jong talent. Maar Hubbard ontbeert nog het zelfvertrouwen dat daarvoor nodig is. ,,Die operatie heeft niet alleen mijn lip aangetast maar ook mijn zelfvertrouwen'', geeft hij toe. ,,Ik weet dat als ik nu ergens speel dat mensen vooral komen om te zien wat ik ervan maak. Toen ik vorig jaar op North Sea Jazz stond was ik nerveuzer dan ik ooit daarvoor was. En nog steeds spoken dagelijks de vragen door mijn hoofd. Wil het publiek me nog wel horen? Kan ik het nog wel? Zal ik ooit weer kunnen spelen als vroeger?''

En dat terwijl hij nog zo graag wil. Diep in dat afgeleefde 62-jarige lichaam zit nog steeds de twintigjarige krachtpatser die het liefst iedereen van het podium afblaast. Als hij zijn voortdurend afzakkende leesbril weer eens naar boven schuift en vertelt over de 32 takes van `All or nothing at all' die hij opnam voor zijn debuutalbum uit 1961, lichten zijn ogen op. ,,Maar ik kom terug, hoor'', voegt hij eraan toe op een strijdbare toon die waarschijnlijk meer bedoeld is om zichzelf te overtuigen dan zijn toehoorders. ,,Overal waar ik kom, neem ik mijn trompet mee. En iedere dag oefen ik een beetje. Heel zachtjes. Heel voorzichtig.''

Freddie Hubbard: New Colors (Hip Bop, HIBD 8026) Distr. Culture Records.