In Buenos Aires voert blond de boventoon

Inwoners van Buenos Aires doen zich graag voor als Europeanen. Maar buiten het centrum zijn de mensen ongeblondeerd en arm.

DE BREDE BOULEVARDS in het centrum zijn onmiskenbaar Parijs, de 9 de Julio de Argentijnse evenknie van de Champs Elysées. Het opnieuw en trendy ingerichte havengebied Puerto Madero doet direct denken aan de Londense Docklands. En hoewel de hippe Plaza Cortázar ook wel in de New-Yorkse Greenwich Village had kunnen liggen, is het het nieuwe hart van de wijk Palermo, waar de sfeer van Madrid of Rome de toon zet en een bar zelfs `Amsterdam' heet.

Welkom in Buenos Aires, een uit steen gehouwen herinnering aan Europa op ruim twaalf uur vliegen van het oude continent. Buenos Aires, wel de federale hoofdstad van, maar nadrukkelijk niet kenmerkend voor Argentinië. Want buiten de grenzen van groot-Buenos Aires begint een compleet andere wereld: die van pampa's en bergen, van gouchos en hereboeren. Van Latijns Amerika.

Hun voorouders waren het Europa van armoede en ontberingen ontvlucht. Vooral aan het eind van de negentiende eeuw kwamen er golven Spaanse en Italiaanse immigranten. Ook Engelsen, Fransen en Duitsers zochten nieuwe kansen in dit deel van de Nieuwe Wereld. Maar terwijl immigranten in de Verenigde Staten zich snel bekenden tot een cultuur die onmiskenbaar Amerikaans is, bleef bij de Argentijnen de hang naar Europa. Vooral bij de Argentijnen van de hoofdstad, de porteños, die hun bijnaam – en mogelijk ook hun cosmopolitische inslag – danken aan het feit dat Buenos Aires een havenstad is.

Porteños en porteñas zijn bij voorkeur geen latinos en latinas. Dat geldt sterker naarmate men hoger op de sociale ladder staat. In Patio Bullrich, het luxe winkelcentrum in Barrio Norte, doet de elite van de porteños graag haar boodschappen – zij bij Cacharel, Versace en Carteras Italianas, hij bij Hugo Boss, Kenzo Homme en Christian Dior. Voor haar zijn ook de chique koffiehuizen, zoals het roodpluche Richmond in de winkelstraat Florida, waar een cappuccino al gauw zeven gulden kost. Voor hem de op Britse leest geschoeide exclusieve privé-clubs als de Jockey Club (anno 1882). Daar kost een lidmaatschap, indien men niet kan bogen op een klinkende achternaam, zo'n anderhalve ton. In de weekeinden ontmoet men elkaar weer op een van de vele country clubs aan de rand van groot-Buenos Aires, zoals het elitaire Martindale in de voorstad Pilar met zijn strakke gazons, weelderige bougainville en strenge bewaking.

De hang naar het Europese vertaalt zich ook in het levende deel van het straatbeeld. Voor de hogere middenklasse geldt: hoe blonder hoe beter. Haren worden dus geblondeerd, en ook neuzen geboetseerd en borsten vergroot. `Taxi's', luidt de wat crue bijnaam die de Argentijnse have-nots met enig gevoel voor humor hebben bedacht voor de jongedames uit de hogere middenklasse. Want zo zien de taxi's in Buenos Aires er uit: een geel dak op een verder zwartgelakte carrosserie. De hogere middenklasse vecht haar strijd met afkomst, uiterlijk en plaats op de sociale ladder vaak uit op de divan: Buenos Aires zou de hoofdstad zijn met de meeste psychotherapeuten.

Maar in de grote ring om het centrum en de aanliggende wijken die samen Buenos Aires worden genoemd, is het straatbeeld onmiskenbaar Latijns-Amerikaans. Hier hebben de mensen een getinte huid en donker haar. Hier heerst de chaos van de duizenden kleine kruidenierszaken, barretjes, garages en fabriekjes. Het leven hier speelt zich grotendeels af op straat, tussen walmende dieselbussen en druppelende airconditioning. Ook hier zijn de Argentijnen van origine Spanjaarden of Italianen (soms ook nog met dubbele nationaliteit), maar hun rangen worden aangevuld met Bolivianen, Peruanen en Paraguayanen. Want ondanks de langdurige economische crises is Argentinië naar Latijns-Amerikaanse maatstaven een rijk land en relatief welvarend. Een taxichauffeur die, zoals in Buenos Aires niet ongebruikelijk is, een maandloon verdient van rond de duizend gulden, zal weliswaar grote moeite hebben om rond te komen, maar is in de ogen van een Boliviaanse keuterboer een rijk man. Daarom zijn er op de Plaza Miserere hoeren ook uit Peru en zelfs venters uit Ghana. En zie je langs de 9 de Julio, ter hoogte van de gedenknaald, bedelaars uit Roemenië.

In de sloppenwijken van Buenos Aires, de villas miseria, wordt doorgaans geen honger geleden, maar daar is dan ook alles mee gezegd. De verpaupering van de midden- en lagere klassen als gevolg van de aanhoudende crises hebben ook een einde gemaakt aan de gunstige en unieke reputatie die Buenos Aires in Latijns Amerika had als een van de veiligste hoofdsteden. Nog steeds kunnen vrouwen 's avonds in het centrum alleen over straat lopen en laten ouders hun tienerkinderen tot diep in de nacht uitgaan om met een straattaxi veilig naar huis terug te keren. Maar het aantal gewapende overvallen, sommige met dodelijke afloop, neemt toe. Nadrukkelijk wordt gewaarschuwd voor de onveiligheid in sloppenwijken, zoals de villa miseria achter het Retiro-station. Deze is gebouwd in de schaduw van de verhoogde autosnelweg die in de jaren zeventig dwars door Buenos Aires is aangelegd als één van de witte olifanten van het regime-Videla; de bewoners hebben uitzicht op de hoge flats van het elegante Barrio Norte en de gente fifí, hun chique stadsgenoten.

Maar het is in het karakteristieke Spaans van de porteño – zangerig, wat aanstellerig, leunend op het Italiaans – dat Europa en Latijns Amerika zijn versmolten. Goedbeschouwd is Buenos Aires een sociale enclave in een Zuid-Amerikaans land waar herinnering, imitatie en frustratie hebben geleid tot een unieke samenleving.