Clichés over het lijden van de wereld

Filmregisseur Cyrus Frisch (1968) is een moralist met een missie. Iemand die overtuigd is van zijn eeuwige gelijk, en niemand die het beseft. Op het kale toneel van de Stadsschouwburg staan de lege stoelen van de acteurs met wie hij de voorstelling Ik ben bang zou maken. De vooraanstaande spelers van Toneelgroep Amsterdam, onder wie Celia Nufaar, Kees Hulst, Marjon Brandsma en Hein van der Heijden, lieten vier weken voor de première weten geen heil te zien in het `ondramatische' concept van Frisch.

Artistiek leider Ivo van Hove wilde het conflict coûte que coûte binnenshuis houden. Dat verhindert Frisch niet tijdens zijn solo-performance de spelers belachelijk te maken. Kinderachtig en verongelijkt leest hij de brief voor waarin de acteurs stellen zich terug te trekken. Het lijkt erop dat de spelers bij TGA vogelvrij zijn.

Voor een ander dan voor Frisch zelf is in Ik ben bang inderdaad geen plaats. Hoe groot en leeg de bühne ook is, Frisch moet het middelpunt zijn. Zijn ego is groot. Zijn denkpatroon is paradoxaal en grillig, zo niet stuurloos en warrig. Frisch' solo bestaat uit een monoloog, waarin hij opmerkelijk los van toon uiteenzet hoe hij, Cyrus Frisch, geobsedeerd wordt door het leed in de wereld. Van hongersnood stervende kinderen in de woestijn van Afrika, mismaakten, aidslijders, zwervers op de Amsterdamse Wallen, gekken, junks. Met koele hand richt hij zijn camera op dit menselijk wrakhout en registeert hun wanhoop. Ondertussen vraagt hij zich in alle ernst af wie er nu het ongelukkigst is: het slachtoffer of hijzelf? Met wie moeten we het meeste medelijden hebben? Met die anonieme, lijdende ander of met Cyrus Frisch? Het antwoord laat zich raden. Frisch besluit zonder blikken of blozen dat hij medelijden heeft met `zichzelf', dat het leed van anderen hem `gelukkig maakt'.

Hier rammelt de voorstelling en slaat het denken op tilt. Het gaat Frisch niet om menselijke ellende of om de aanklacht daartegen, het draait om een onmetelijk en koket vertoon van zelfmedelijden. In dat egocentrische concept is voor acteurs geen plaats.

Frisch glijdt makkelijk uit naar de larmoyantie. Het tweede deel van Ik ben bang behelst een road-movie, waarin Roeland Fernhout en Ellen ten Damme in een krankzinnig gefilmde autotocht door Amerika en Afrika zichzelf geconfronteerd zien met hedendaagse verschrikkingen. In de surrealistisch gemonteerde filmbeelden van een auto die in scheurende vaart door intens lege landschappen jakkert, trillend van de verzengende hitte, toont Frisch eindelijk zijn kwaliteiten. In deze verbeelding van `de weg naar de hel' krijgt acteur Fernhout slechts één quote: ,,Het interesseert me niets.'' Ellen ten Damme als het liftstertje verhaalt hem over mensen die alles ondernemen – glas eten, hand afzagen, snijden in buik of pols – om aandacht te vangen. Fernhout begint te hallucineren en raakt bevangen door de hitte.

Frisch weet het verhaal niet vast te houden. Cliché na cliché stapelt hij op elkaar: de vriendin wordt drievoudig verkracht en de vriend kijkt dadenloos, zelfs licht genietend toe. Langs de weg wordt een man met zweepslagen bewerkt. Tot slot belandt Fernhout, die hetzelfde gebloemde shirt draagt als Frisch tijdens de solo, in het inferno van hongerend Afrika. Temidden van alle verschrikkingen begint de grote, weldoorvoede en innerlijk intens verdorven blanke man krokodillentranen te huilen. Hij vindt een kindje en neemt dat in de armen. Hij grient maar door. Hoe langer, des te gênanter. Ongetwijfeld was deze scène door Frisch bedoeld als apotheose, als katharsis. Nu zal de toeschouwer ervaren dat leed aangrijpend is.

Het werkt niet. Frisch' vormbesef is vaag. Hij creëert een iel verhaallijntje om loodzware thema's aan te verbinden. Maar de verhoudingen zijn zoek. De plotselinge ernst van de huilende acteur is ongeloofwaardig. Het clichébeeld trekt alles in twijfel, maakt elke gedeelde emotie kapot. Er blijft maar één waarheid over: Frisch is gehuld in eigenwaan. Hierdoor is het onbegrijpelijk waarom de toeschouwer compassie met Frisch' alter ego moet voelen. Het is, goed beschouwd, verbijsterend hoeveel missers Ik ben bang bevat. Fouten tegen helder denken, fouten jegens de dramaturgie en niet in de laatste plaats: de pijnlijke miskenning van zowel het menselijk wrakhout in zijn film als de acteurs en toeschouwers.

Voorstelling: Ik ben bang van en door Cyrus Frisch. Gezien: 2/4 Stadsschouwburg, Amsterdam. Tournee t/m 9/5. Inl.: Toneelgroep Amsterdam (020) 5237874; www. toneelgroepamsterdam.nl

    • Kester Freriks