Altijd tegenwind

Ons fietstochtje begint in het opgelapte vestingstadje Bourtange. Ooit lag het als een eiland in een onafzienbaar veenmoeras. Over de `tange' (zandrug) van Bourtange liep de enige verbinding tussen Nederland en Duitsland. De vesting maakte deel uit van een hele reeks versterkingen tussen Coevorden en Nieuweschans.

Tussen de keurig gerestaureerde barakken en arsenalen waan je je in een museumdorp. Maar schijn bedriegt, want de kleine huisjes in het centrum zijn echt bedoeld om erin te wonen.

Elk jaar (dit keer op 12 en 13 mei) wordt er in Bourtange een historische veldslag opgevoerd, waarbij de troepen van Napoleon uit de vesting worden verdreven.

Bij Oost-Groningen denk je algauw aan strokarton, aardappelmeel, veenkoloniën en communisten. En tegenwoordig ook aan de `Blauwe Stad'; bij dat ambitieuze project zullen boven Winschoten achthonderd hectare landbouwgrond onder water worden gezet. Vroeger was het ook een gebied van landjonkers, `dikke' (rijke) boeren en kloosters. De wierden (terpen) herinneren aan de tijd toen de zee er heer en meester was. Van de kloosters, ooit centra van nijvere monniken die het veen ontwaterden en dijken bouwden, is weinig meer over.

Reizigers en toeristen vergapen zich altijd aan de enorme afmetingen van de boerderijen op het Hoogeland en in het Oldambt. Het voorhuis van vele boerderijen leek op een villa of kasteel. Ook in plaatsen als Blijham en Bellingwolde, aan de noordkant van Westerwolde, staan nog weelderige hoeven te pronk. De boeren in de goede oude tijd, toen de graanverbouw veel geld in het laatje bracht, leefden als patriciërs. Zij namen Italiaanse stucadoors in de arm en lieten hun tuinen in de Engelse landschapsstijl aanleggen.

De oude heerlijkheid Westerwolde, die tegen Drenthe en Duitsland aanleunt, biedt meer afwisseling dan de open polders van het Oldambt. Op de zandruggen hebben zich esdorpjes genesteld, vanwaaruit het veen stukje voor stukje werd ontgonnen. Tijden later begon de stad Groningen zich met de vervening te bemoeien; kaarsrechte kanalen verdrongen de slingerende riviertjes, waarnaar nu iedereen zo'n heimwee heeft. Bourtange is een geschikt vertrekpunt om een stukje Westerwolde te verkennen.

Eenmaal buiten de vestingmuren fietsen wij met de kop in de wind over het Moddermanspad naar het Moddermansdiep. Het Naoberpad, een Lange Afstand Wandelpad van bijna 400 km tussen Nieuweschans en het Duitse Emmerich, houdt ons gezelschap. Het schelpenpaadje langs het kanaal, dat als een streep in het landschap ligt, is net breed genoeg voor een fietsband. Ter weerszijden vormen de eiken en berken een houten tunnel, of beter een loofgang, een berceau, zoals je die op landgoederen aantreft. Aan de einder doemen de Sellinger Bossen al op.

Sellingen is het dorp van plezierdichter Kees Stip. Het standbeeld van de beroemde `bok die machtsverhief en worteltrok', staat, zoals elk geletterd mens hoort te weten, niet hier, maar in Siddeburen (bij het Schildmeer).

Het land is vlak en tot de einder kaal. Een handvol turbomolens en een nieuwbouwwijkje onderbreken de monotonie. Bij een klapbrug en een sluisje buigen wij af naar Sellingen (Sel'n, zeggen ze hier). Met een wijde lus over de Zuider Es komen we in Ter Borg aan – vier fraaie oude boerderijen tussen rivier en asfalt. De landerijen van de familie Ter Borg, nu eigendom van Staatsbosbeheer, zijn een mooi voorbeeld van het klassieke esdorp; alle elementen – akkers (es), hooi- en weideland en woeste gronden (veld) – zijn nog aanwezig, inclusief de schaapskooi. De Groningse esdorpen kenden eenzelfde agrarische huishouding als die in Drenthe. De mest van schapen, die de hei kort hielden, werd in de stallen vermengd met plaggen; het mengsel strooide men op de akkers uit. Het vee graasde op de weiden in de beekdalen.

We keren terug naar de Ter Apelerweg en slaan linksaf de bossen in. De Sellinger Bossen zijn in de jaren dertig en vijftig aangelegd. In de crisistijd werden hier duizenden werklozen uit alle hoeken van Groningen heen gebracht om bouwland met boompjes te beplanten. De bossen liggen deels in het dal van de Ruiten Aa en deels op de stuwwallen.

Staatsbosbeheer heeft hier korte metten gemaakt met de rechtgetrokken rivier. Eens moest die snel het veen kunnen afwateren, maar die haast is niet meer nodig. De Ruiten Aa kronkelt weer! Vier stenen tafelen leiden naar een verhoogde plek vanwaar men uitzicht heeft op het bruine water van de stroom. In de tafels zijn regels uitgehakt van drie dichters (Jean Pierre Rawie, Adriaan Morriën en Kees Stip) en een zanger (Harry Muskee, still going strong, de man achter Cuby & The Blizzards). Stip toont zich ditmaal geen nonsensdichter, maar een serieus poëet. De strekking van zijn vers is dat nu de Ruiten Aa van een lineaal in een liaan is veranderd, er weer hoop gloort voor de mensheid. Rawie bepeinst het volgende:

`Wat er geweest is, toen en hier,

In samengaan van woud en water,

Aanschouwt men generaties later,

Herschapen tot een stil theater,

In deze bocht van de rivier.'

Over de Noord Es en langs de bosrand rijden we verder naar Jipsinghuizen. Op enkele plaatsen mogen wandelaars, wegens de angst voor mond- en klauwzeer, het bos niet in. Jipsingboertange laten we links liggen. Volgens `Het Plaatsnamenboek' is Jipsing een familienaam. Ook het gehucht Jipsingboermussel (bij Musselkanaal) heeft alles aan dit hardwerkende geslacht te danken.

Gelet op de chique nieuwe woningen aan de rand van het dorp is Jipsinghuizen een aantrekkelijke locatie. Er is zelfs een hotel, dat gelukkig niet `Het wapen van Jipsinghuizen' heet (Jipsinghuizen heeft geen wapen). Met de kop in de wind zetten wij koers naar Wollinghuizen. Zouden Jipsing en Wolling buren zijn geweest? Jazeker! Rechtsaf, weer over het Ruiten Aa-kanaal en terug naar het Moddermanspad. Vreemd, steeds die wind tegen. Deze Groningse uithoek bewijst nogmaals Rudy Kousbroeks gelijk: Nederland is een land waar je altijd tegen de wind in moet, welke kant je ook uitgaat.