Zimbabwe begint terugtrekking Congo

Ook Zimbabwe heeft een begin gemaakt met de terugtrekking van soldaten uit Congo. Een contingent van 200 militairen verliet gisteren de stad Mbandaka, ongeveer 600 kilometer ten noordoosten van de hoofdstad Kinshasa.

De terugtrekking van Zimbabwe volgt op de terugtrekking van de frontlinie van Congolese soldaten vorige week en die van Rwandese en Oegandese strijdkrachten vorige maand. Daarmee lijken de meeste partijen zich aan recente afspraken te houden. Na de moord op president Laurent Kabila in januari dit jaar kwamen de strijdende partijen overeen dat ze hun soldaten 15 kilometer van de frontlinie zouden terugtrekken. Waarnemers zijn nu optimistisch over het uitzicht op vrede na tweeëneenhalf jaar oorlog.

Op korte termijn zullen in totaal ongeveer 2000 Zimbabweaanse soldaten uit Mbandaka vertrekken, aldus een militair woordvoerder, die de terugtrekking ,,een gebaar'' noemde om te laten zien dat landen die de regering in Kinshasa steunen het vredesproces serieus nemen. Aan het einde van de maand nemen de eerste blauwhelmen de plaats in van de Zimbabweanen. Senegal is een van de landen die VN-soldaten aan Congo gaat leveren. Gisteravond vertrok een eerste groep Senegalezen richting Kinshasa. Zij maken, net als de Uruguayaanse militairen die vorige week in Congo landden, deel uit van de 2500 man sterke gewapende VN-troepenmacht MONUC.

Volgens critici is dit aantal overigens onvoldoende. De strijdende partijen hebben tienduizenden soldaten naar Congo gestuurd. Alleen Zimbabwe al heeft er naar schatting 10.000 tot 12.000 soldaten gestationeerd. Congo is ongeveer 57 keer zo groot als Nederland.

Voorts kondigde Oeganda gisteren aan dat het bereid was al zijn soldaten terug te roepen. Dat zei Oeganda's minister van Buitenlandse Zaken, Eriya Kategya, ter gelegenheid van een bezoek aan Kinshasa.

Het is de eerste keer sinds het begin van de oorlog – die ook wel `Afrika's wereldoorlog' wordt genoemd – dat een hoge Oegandese vertegenwoordiger in Kinshasa is. Kategya praat vandaag met Joseph Kabila.