Vrouw

Tegen zes uur 's avonds liep een kleine Chinese vrouw van voorbij de zestig via het Kleine-Gartmanplantsoen naar het Leidseplein. Ze had een opgeblazen gezicht en was gekleed in een beige jasje en broek waarvan de pijpen doorweekt waren. Op haar hoofd droeg ze een blauw, verschoten mutsje. Haar schoenen waren afgetrapt tot pantoffels, die haar voeten nauwelijks meer steun gaven.

Zachtjes stootte ze onophoudelijk Chinese klanken uit. Af en toe bleef ze staan om zichzelf iets aan een gevel aan te wijzen. Op het Leidseplein raapte ze wat papiertjes op die ze in een vuilnisvat deponeerde. Ze sloeg de Korte Leidsedwarsstraat in en deed een greep in een afvalbak. Slordig etend uit een verfomfaaide zak frites liep ze terug naar de Leidsestraat en vervolgde haar tocht in de richting van het Koningsplein.

Het was nog vrij druk met wandelaars. De tramrails waren opgebroken en de stroom voetgangers moest zich over een smal paadje langs de winkels persen. De vrouw viel nauwelijks op, slechts enkele mensen keken haar fronsend na.

Je ziet ze tegenwoordig vaker. Bejaarde vrouwen en mannen van Chinese afkomst die, opgesloten in zichzelf, door de stad dolen. Hun verlatenheid heeft iets onwezenlijks, het is alsof ze al gestorven zijn en door een mythisch dodenrijk strompelen.

Waar is hun huis? Waar zijn hun broers, zussen, kinderen? Ze zijn van een afgeschreven generatie. Dertig, veertig jaar geleden naar Nederland gekomen, onze taal nooit geleerd en nu overbodig. Het isolement dat tijdens hun werkende leven nooit zo opviel, keert zich met verdubbelde kracht tegen hen.

Halverwege de Leidsestraat keerde de vrouw om en liep terug naar het Leidseplein. Ze had geen haast – waarom zou ze?

Op het plein was een jonge steltloper bezig aan een merkwaardige act. Hij droeg een wit pak en om zijn hoofd zat een rode sjaal. Hij had zich extra lang gemaakt door de voetsteunen zo hoog mogelijk aan te brengen. Zo sjokte hij over het plein, zich af en toe larmoyant vastgrijpend aan een tramhokje of een lantaarnpaal. Zijn act begon aardig, maar verzandde al snel in een onbestemde poging om leuk te zijn. Niemand keek, behalve een jongetje met zijn vader.

Toen verscheen de vrouw op het plein. Ze keurde de steltloper geen blik waardig en liep met een papiertje naar haar favoriete afvalbak aan de rand van het plein. Plotseling schoof de steltloper in haar blikveld. Hij maakte voor zijn doen angstaanjagend grote passen. Hij was aan het einde van zijn act, hij wilde naar huis. Hij ging op de afvalbak zitten en begon zich van zijn stelten te ontdoen, als een invalide die zijn kunstbeen afgespt.

De vrouw bleef als aan de grond genageld staan. Ze begreep er niets van. Háár afvalbak. Niets was het afgelopen halfuur haar wereld binnengedrongen, maar deze vreemde, witte verschijning kon ze niet tegenhouden. Ze gooide haar papiertje op de grond, wendde zich af en toonde eindelijk enige haast toen ze terugliep naar het Kleine-Gartmanplantsoen – terug naar waar ze vandaan kwam.

    • Frits Abrahams