`Vergoeding huisartsen schiet tekort'

De normvergoeding voor de praktijkkosten van huisartsen schiet waarschijnlijk tekort. Bij reële marktprijzen zou de vergoeding ongeveer 10.000 gulden hoger moeten uitvallen dan de ruim 163.000 gulden die het tarievenbureau CTG voor 2001 als norm hanteert.

Dit blijkt uit een onderzoek van PriceWaterhouseCoopers. Het verschil tussen de praktijkkosten en de normvergoeding is de afgelopen jaren steeds kleiner geworden. In 1996 kregen huisartsen nog zo'n 20.000 gulden meer vergoed dan ze uitgaven, in 1999 was dit verschil teruggelopen tot 10.000 gulden.

PriceWaterhouseCoopers hanteerde gegevens die huisartsen aan een belastingadviseur hadden verstrekt. Zorgverzekeraars Nederland, de opdrachtgever voor het onderzoek, heeft inmiddels de conclusies overgenomen. De verzekeraars hebben er vorige maand bij minister Borst (Volksgezondheid) op aangedrongen in de voorjaarsnota voor de ruim 7.000 huisartsen 70 miljoen gulden te reserveren voor de hogere praktijkkostenvergoeding.

De zorgverzekeraars gaven opdracht tot het onderzoek, omdat zij twijfelden aan de claim die de Landelijke Huisartsenvereniging vorig jaar op tafel legde. De LHV eist ruim een miljard gulden extra voor een betere vergoeding. De claim was gebaseerd op een berekening van Deloitte & Touche, dat door enkele huisartsen een `ideale praktijk' had laten beschrijven. De kosten daarvan kwamen volgens dat bureau uit op 297.000 gulden per jaar, ruim 130.000 gulden meer dan de huidige normvergoeding. De beschreven praktijk was er een van een solistisch werkende huisarts die over aanzienlijk meer ruimte en hulppersoneel beschikt dan op dit moment de norm is.

Voor de berekening van de daadwerkelijke kosten van de praktijkvoering maakte PriceWaterhouseCoopers gebruik van de geanonimiseerde gegevens die bij de VVAA-groep, een organisatie die onder meer voor veel artsen de belastingopgave verzorgt, zijn opgeslagen. Uit het onderzoek blijkt dat huisartsen met een hoge omzet lagere praktijkkosten hebben dan artsen met kleinere praktijken. Dit kan er volgens de onderzoekers op duiden dat een relatief grote personele ondersteuning niet altijd leidt tot een hogere omzet.