Subtiel van binnen razende rouw

In zijn vierde lange speelfilm Sous le sable laat de Franse regisseur François Ozon voor het eerst goed zien waar hij zijn reputatie als groot aanstormend talent aan te danken heeft. Die naam was eigenlijk al gevestigd door Ozons korte films: Sous le sable is stilistisch en inhoudelijk een terugkeer naar het minimalisme van zijn vroege korte film Regarde la mer, een eveneens aan de lege Atlantische kust gesitueerde studie van alledaagse lichamelijkheid en sterfelijkheid.

Jean-Luc Godard poneerde ooit de stelling dat de cinema de dood aan het werk laat zien, vierentwintig keer per seconde. Extreem gesteld zou je Sous le sable kunnen beschouwen als het portret van een ouder wordend lichaam. Charlotte Rampling, 54 tijdens de opnamen, is de ideale actrice voor Ozons doeleinden. Haar lichaam is mooi genoeg om lang en gedetailleerd naar te kijken, en weerlegt overtuigend de heersende opvatting dat jonge lijven mooier zijn dan oudere. Juist de voorzichtige tekenen van verval, de kraaienpootjes en beginnende rimpels, maken het spannender. Bovendien heeft Rampling een moeilijk te peilen gezicht, dat zowel een intens zielenleven als totale leegte zou kunnen suggereren. Misschien is ze wel een schim, net als haar echtgenoot (Bruno Cremer) die vrij vroeg in de film in de zee verdwijnt, maar toch in de perceptie van Rampling nog elke nacht naast haar in bed ligt.

Het eerste kwartier van Sous le sable beschrijft de tocht naar en de aankomst in het vakantiehuis van het echtpaar. Er gebeurt erg weinig dat in een film voor dramatisch door zou kunnen gaan. Net als in bij voorbeeld Chantal Akermans Jeanne Dielman vraagt de kijker zich af waar de regisseur heen wil. Er moet toch een bedoeling schuilen in de opsomming van alledaagse handelingen, de tussenstop bij een benzinestation, het openen van de luiken en het koken van spaghetti. Duidelijk wordt in ieder geval dat dit paar al heel lang samen is, elkaar weinig meer te vertellen heeft en op een vanzelfsprekende wijze van elkaar houdt. Dan licht de man bij het hout sprokkelen een stammetje op, en ziet het gekrioel van insekten. Kort daarna gaat hij zwemmen in zee, en komt het water niet meer uit. Omdat zijn lichaam niet gevonden wordt, gelooft Rampling niet in zijn dood, en doet net alsof hij er nog steeds is. Pas aan het slot van de film gaat ze de confrontatie aan met een als haar echtgenoot geïdentificeerd stoffelijk overschot, dat maanden in het zeewater heeft gelegen. Op dat moment komt Ozons visuele betoog ook tot een slotsom, en valt de dood niet meer te loochenen. Althans, in de ogen van de toeschouwer, die alleen maar een zak in een mortuarium heeft zien openritsen, en de reactie op het gezicht van Rampling. En toch blijft ze ontkennen dat de dood bestaat.

De titel van Sous le sable verwijst niet alleen naar het strand, als plek waar eeuwigheid en vergankelijkheid elkaar ontmoeten, maar betekent natuurlijk ook platweg `onder de zoden'. Afhankelijk van de instelling van de kijker kun je de film interpreteren als een portret van een gestoorde vrouw (zoals in veel buitenlandse recensies valt te lezen) of als een woedend protest tegen het onvermijdelijke einde van elk leven. In beide gevallen bewijst Ozon hommage aan de strijd tussen leven en dood. Hij doet dat met een bewonderenswaardig vermijden van traditioneel drama. Er wordt niet geschreeuwd of gehuild of gevochten. Dit is een tedere oorlog, die van binnen raast en alleen in de kleinste details herkend kan worden. Zo subtiel kunnen slechts de allergrootste regisseurs filmen.

Sous le sable. Regie: François Ozon. Met: Charlotte Rampling, Bruno Cremer, Alexandra Stewart, Jacques Nolot, Pierre Vernier, Andrée Tainsy. In: 9 theaters.