Op een sok en een schoen

Een schoen is maar lederen voetverpakking. Maar je neemt hem wel overal mee naartoe. Je raakt eraan gehecht. Dat verklaart wat hier volgt.

Omstreeks twaalf uur 's nachts kom ik na een vrolijke wandeling aan bij het station van Woerden. Vervuld van een zonnige kijk op het leven. De trein naar Leiden is te laat, maar wat geeft dat. Hij komt, en dat telt.

Ik stap in. Tenminste, dat probeer ik. De voorkant van mijn linkerschoen blijft haken onder de treeplank. Ik haal, half struikelend, mijn voet naar achteren, raak met de achterkant van mijn schoen de betonnen zijkant van het perron. Mijn schoen glipt uit. Hij valt tussen de trein en het perron. Langer dan een seconde duurde dit voorval niet.

Ik stap uit, ga plat op mijn buik liggen en verdring uit mijn gedachten wat andere treinpassagiers daarvan zullen vinden. In horizontale positie stel ik vast: mijn arm is te kort. Ik sta op en kijk om me heen. Links, rechts, nog eens links, nog eens rechts. Geen conducteur te bekennen. Ik hoor niettemin een fluitje en door me heen giert de paniek: dit is de laatste trein naar Leiden!

Ik stap in, op één schoen en een sok. Gelukkig was het stil in de coupé. Geen medepassagiers. Tot aan Leiden ook geen conducteur.

In Leiden stap ik de trein uit. Op een sok en een schoen. Op het perron staat een NS-beambte. Met een gezicht dat op staking staat. Of hij weet waarom er geen conducteur te vinden was, vraag ik, en wat ik nu moet doen. ,,Morgen naar het loket voor gevonden voorwerpen gaan'', grauwt hij. Want alle loketten zijn nu natuurlijk al dicht.

Op een schoen en een sok loop ik het perron af, trap af, stationshal door, naar de fietsenstalling. Dat is een heel eind, op zo'n moment. Ik overweeg even om ook mijn andere schoen uit te doen. Maar de kans dat een spijker of een stukje glas voor nog meer ongemak zorgt, zou daardoor verdubbelen, realiseer ik me tijdig. Op het station is het onredelijk druk. Maar niemand ziet hoe vreemd ik erbij loop of iedereen veinst niets te zien. Ook de bewaker van de fietsenstalling geeft geen sjoege. In de duisternis fiets ik naar huis. Dat gaat best, op een sok en een schoen.

De volgende dag ga ik, op andere schoenen (ditmaal mét veters), naar het loket in Leiden, met in een plastic tas de schoen die ik niet had verloren. Als bewijsstuk. De lokettist geeft mij een formulier en zegt: u kunt het beste naar Utrecht gaan, want daar gaan alle gevonden voorwerpen heen. De trein naar Utrecht is net vertrokken. De volgende gaat een half uur later.

Ik lees op het formulier dat voorwerpen eerst nog een dag worden bewaard op het station waar ze gevonden zijn. Dus ik doe wat ik toch al van plan was: ik wacht niet tot Utrecht, maar stap uit in Woerden. Daar heb je, als verbinding tussen de perrons en het stationsgebouw, een loopbrug die een weids uitzicht over de rails biedt. In de afgrond zie ik, tussen de rails en perron 2, mijn schoen. Trouw te wachten op zijn baas.

Wetend dat je niet zelf zomaar de rails op mag, ga ik naar het loket en vraag: kan ik de perronopzichter spreken? ,,Die hebben we in Woerden niet'', glimlacht de lokettiste. Ik leg haar de situatie uit, lach met haar mee en zij maakt me duidelijk dat ik inderdaad niet zelf de rails op mag, want dat is léévensgeváárlijk. Ze besluit de verkeersleiding van de NS in Utrecht te bellen. De afspraak wordt gemaakt dat de eerstvolgende trein achter mijn schoen zal stoppen. Dan kan ik met de conducteur afspreken wie hem zal oprapen.

Braaf sta ik op het perron te wachten, ter hoogte van mijn schoen. De eerstvolgende trein, richting Gouda en Rotterdam, komt aan en rijdt overstoorbaar langs mijn schoen en stopt waar hij altijd stopt. Nog altijd ben ik niet wanhopig en bovendien schalt nu uit de luidsprekers over het perron: ,,Attentie! Dit is een bericht voor de passagier op perron 2, die mijnheer van de schoen. Dit is nog een doorgaande trein. De volgende trein zal voor u stoppen.''

De volgende trein gaat naar Leiden, dus dat komt goed uit. Kan ik meteen mee. Zeven minuten later arriveert deze trein. Dat wil zeggen: ook hij rijdt langs de schoen die ik al die tijd onder me zie liggen. Ik ren naar de conducteur, die van geen afspraak met welke verkeersleiding dan ook beweert te weten. Hij zegt: ,,Wacht u maar tot wij weg zijn. Dan kunt u zelf die schoen pakken. Maar kijk wel uit.''

De trein gaat weg – mijn trein eigenlijk. Ik spring naar beneden en ben binnen vijf seconden weer boven. Met schoen.

Een halfuur later gaat de volgende trein naar Leiden.

Die sok heb ik meteen weggegooid.

    • John Kroon