Onnodige verwarring over de aansprakelijke overheid

Voor de beoordeling van de verantwoordelijkheid van de overheid voor schade bij een ramp moeten heldere criteria worden geformuleerd, vindt

Otto Vos.

Wanneer is de overheid juridisch aansprakelijk of politiek verantwoordelijk voor schade bij rampen? In hoeverre is het daarvoor relevant dat de overheid heeft toegezien op de naleving van regels en voldoende inspecties heeft uitgevoerd? Bij de discussie over deze vragen worden met name emotionele argumenten gebruikt. Dat leidt tot onnodige verwarring. Het belang van slachtoffers wordt daarmee op geen enkele manier gediend.

De juridische aansprakelijkheid van de overheid is vastgelegd in een helder stelsel. Ten eerste is het bestuursrecht relevant. Bij rechtmatig overheidshandelen, zoals het afsluiten van een weg voor onderhoud, kan de burger die zich gedupeerd voelt een vergoeding van de schade vorderen (`nadeelcompensatie'). Bij rampen kan van deze mogelijkheid niet of nauwelijks gebruik worden gemaakt.

De tweede optie loopt via het privaatrecht. Indien de overheid onrechtmatig of in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid heeft gehandeld, is zij aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade, voor zover die haar valt toe te rekenen. Daarvan kan sprake zijn, indien de overheid heeft nagelaten duidelijke regels te stellen ter voorkoming van risicovol maatschappelijk gedrag. De overheid kan dit gevaar voorkomen door bijvoorbeeld borden te plaatsen waarmee de automobilist op de maximumsnelheid wordt gewezen. Zodra een automobilist een ongeluk krijgt doordat hij te hard rijdt, is duidelijk dat hij aansprakelijk is voor de gevolgen, en niet de verkeerspolitie die op het betreffende moment de snelheid niet controleerde.

Is er geen sprake van nadeelcompensatie of onrechtmatige overheidsdaad, dan is de overheid juridisch niet verplicht schade te vergoeden. Waarom acht ze zich dan toch verantwoordelijk voor de schade in een situatie als de aardbeving in Limburg? In zo'n geval wordt de schade is als het ware gecollectiveerd. De schade is dan niet meer het individuele levenslot van de gedupeerde, doch het noodlot van de maatschappij als geheel. In de Wet tegemoetkoming schade bij rampen uit 1998 is dit vastgelegd.

Resteert nog de situatie dat de overheid zich op politieke gronden verantwoordelijk acht voor de schade die zich voordoet. De handelwijze van de overheid bij de legionellaramp in Bovenkarspel is een voorbeeld van de politieke benadering. De rechter heeft de standhouder vanuit wiens bubbelbad de epidemie ontstond veroordeeld tot schadevergoeding. Desondanks heeft het kabinet een bedrag van 2 miljoen gulden ter beschikking gesteld om de slachtoffers van de epidemie tegemoet te komen in hun schade. Hoewel dit gebaar als zodanig sympathiek is, draagt het niet bij tot de benodigde rechtszekerheid voor slachtoffers van een rampzalige gebeurtenis. Het blijft mistig wie er nu verantwoordelijk is, de standhouder of de overheid.

Voor de overheid kan er aanleiding zijn om politieke redenen de verantwoordelijkheid voor de schade van een ramp mede te dragen. Voor de beoordeling daarvan zijn heldere toetsingscriteria dringend noodzakelijk. Er moet sprake zijn van een causaal verband tussen het optreden van de overheid en de veroorzaakte schade. Zo'n verband zal niet snel worden vastgesteld. De overheid kan onmogelijk permanent over de schouder van iedere burger meekijken. Het is nauwelijks uit te leggen dat de schade het gevolg is van het feit dat de overheid slechts een keer per jaar een inspectie uitvoert. De verantwoordelijkheid van de burger blijft het uitgangspunt.

De vergelijking met een APK-keuring dringt zich op, die eenmaal per jaar plaatsheeft. Indien een automobilist – tussen de keuringen door – met gladde banden slipt en dientengevolge een ongeluk veroorzaakt, zal een ieder van mening zijn dat de automobilist voor de schade moet worden aangesproken, en niet het APK-station.

De politieke verantwoordelijkheid zal mede afhankelijk zijn van de mate waarin de overheid tot in detail voorschriften heeft opgelegd. Gedetailleerde regels creëren schijnzekerheid. Het verdient daarom aanbeveling dat de overheid bij het stellen van regels eerder het doel, dat wil zeggen de veiligheid als zodanig, voor ogen heeft dan de middelen waarmee dat kan worden bereikt.

Daarbij past bijvoorbeeld dat de overheid een ondernemer verplicht om een adequate verzekering af te sluiten voordat de beoogde activiteit in de praktijk wordt gebracht. Ondernemer en verzekeraar moeten een reële inschatting maken van de risico's en van de mogelijkheid tot preventie daarvan. Dat zal noodgedwongen tot veel hogere bedragen leiden dan waarvoor thans verzekerd wordt. De verzekeraar kan van de ondernemer eisen dat hij, in ruil voor een verzekeringsovereenkomst, adequate preventiemaatregelen neemt. Denk aan een verzekeraar die een juwelier verplicht zich te beveiligen tegen inbraak. Zo kan een hecht netwerk ontstaan ter bevordering van de veiligheid waarin ondernemer, overheid en verzekeraar ieder een eigen rol vervullen.

Otto Vos is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de VVD-fractie.