Nieuw Chinees militair zelfvertrouwen

De politieke zelfverzekerdheid van Peking in het conflict met de VS over het incident met een Amerikaans vliegtuig heeft een militair fundament. En dat komt uit: een boek.

Als de ruzie over het Amerikaanse spionagevliegtuig dat zondag op Chinees grondgebied landde iets duidelijk maakt, dan is dat het grote zelfvertrouwen dat de Chinese autoriteiten in deze kwestie aan de dag leggen. China eist uitleg en excuses voor het ongeluk. Een Amerikaans verzoek om informatie over het lot van de bemanning en het vliegtuig was – een diplomatiek affront – aan dovemansoren gericht. En de Chinese president heeft zelfs geëist dat de Verenigde Staten hun spionagevluchten voor de kust voortaan staken.

Dergelijke politieke zelfverzekerdheid komt nooit zonder militair fundament. Het is juist deze militaire basis waaraan het de Chinezen lange tijd heeft ontbroken. De doctrine van de Chinese strijdkrachten was gebaseerd op kwantiteit en niet kwaliteit. Dat mag werken in een guerrillastrijd tegen een binnendringer. Maar daar is in high-tech-oorlogen van deze tijd geen ruimte voor. De gemankeerde Chinese strafexpeditie in 1979 tegen Vietnam, de Golfoorlog, waarin een door Amerika geleide coalitie een Iraaks leger inmaakte, en de voortdurende onmogelijkheid van de Chinese strijdkrachten om Taiwan te intimideren, zijn hier wrange voorbeelden van. Waar halen de Chinese strijdkrachten dit nieuw elan vandaan? Het antwoord luidt: uit een boek.

In 1999 publiceerden de luchtmachtkolonels Qiao Liang en Wang Xiangsui bij de legeruitgeverij Ongelimiteerde oorlogvoering, een studie naar de strategie die China moet volgen om de unipolaire macht in de wereld – lees: de hegemonie van de VS – het hoofd te kunnen bieden. Het boek is al vergeleken met klassiekers als Achtung Panzer! van Blitzkrieg-uitvinder Heinz Guderian en met The Air Campaign van de Amerikaanse kolonel John Warden III, een blauwdruk van het bombardementsoffensief in de Golfoorlog en van de NAVO-luchtcampagne tegen Joegoslavië. Binnen westerse militaire kringen geldt de vertaling intussen als een bestseller.

De kolonels betogen dat het weinig nut heeft om de VS op hun eigen terrein, massaproductie van hoogwaardige wapens, zoals satellieten, raketten, bommenwerpers en tanks te verslaan. Dat probeerde de Sovjet-Unie altijd ,,en kijk eens wat daarvan gekomen is'', aldus de auteurs.

In plaats daarvan zou China moeten mikken op de zwakke plekken in het Amerikaanse `pantser.' De Amerikaanse Achilleshielen hebben ze meteen in kaart gebracht: de economie, de afhankelijkheid van computers en satellieten, en de publieke onwil eigen slachtoffers te accepteren. De nieuwe Chinese doctrine is een variant van de zogeheten `asymmetrische oorlogvoering', waarbij het sterke Westen in theorie wel een veel zwakkere vijand kan vernietigen, maar dit vanuit politiek oogpunt niet verkiest.

Het `ongelimiteerde' in de titel kan vrij letterlijk worden genomen. Aangezien de VS overal ter wereld militaire en economische belangen hebben, betogen de auteurs, kan de gehele aardbol als potentieel slagveld worden beschouwd. Ook pleiten Qiao en Wang voor het negeren van juridische en ethische regels voor de oorlogvoering. Dit omdat het Westen anderen altijd op de Conventie van Genève en het oorlogsrecht wijst om – zie de bombardementen op Vietnamese steden, de kruisraketten op Afghanistan en Soedan, en de bombardementen op Joegoslavië – deze voorschriften net zo makkelijk naast zich neer te leggen.

De nieuwe Chinese doctrine vereist volgens de opstellers van `ongelimiteerde oorlogvoering' een heel eigen arsenaal. Hackers zouden de geautomatiseerde Amerikaanse samenleving moeten ontwrichten, sabotageteams zouden aanslagen moeten plegen en met laser- en andere stralingswapens waarmee de Amerikaanse spionage- en communicatiesatellieten zijn te vernietigen. En nucleaire langeafstandsraketten zouden de VS moeten kunnen bedreigen.

Maar ook op puur militair gebied valt nog wel een slag te winnen. Zo zouden de Amerikaanse vliegdekschepen kwetsbaar zijn voor aanvallen met geavanceerde kruisraketten, zoals de Russische Moskit waarvan China er dertig heeft gekocht.

Het potentieel van deze manier van `straatvechten' wordt intussen elders in de wereld onderkend en er wordt op geanticipeerd. Zo werden Chinese hackers tijdens de NAVO-bombardementen op Joegoslavië in 1999 betrapt bij een inbraak in een NAVO-computer die werd gebruikt voor de logistieke ondersteuning van het luchtoffensief. Die computer stond overigens in Nederland.

Een rapport van het Amerikaanse Congres waarschuwde in 2.000 eveneens voor Chinese hackers, voor laserwapens en vooruitgang op het gebied van information-warfare, een generieke term voor een reeks technieken die het mogelijk maken om de vijand op het verkeerde been te zetten, of zijn besluitvorming te beïnvloeden.

Halverwege de jaren negentig speelde het Pentagon al wargames, conflictscenario's, waarbij Amerikaanse vliegdekschepen naar Taiwan opstoomden om een Chinese invasiedreiging af te wenden. Uitkomst van het gesimuleerde conflict: een half dozijn gekelderde carriers. Opsteller van dit scenario was Andrew Marshall, een revolutionair militair denker, die, vast niet toevallig, op dit moment in opdracht van de nieuwe Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld, de doctrines van het Pentagon kritisch bekijkt.

Toch wordt het nieuwe Chinese militaire zelfvertrouwen niet overal als gegrond beschouwd – nog afgezien van het feit dat het arsenaal voor de `ongelimiteerde oorlogvoering' hoofdzakelijk op de tekentafel staat. Mocht een gewapend conflict uitbreken dan hebben de VS op dit moment de absolute overhand. Het zou voor Amerikaanse bommenwerpers niet eens een groot probleem zijn om de op Hainan gestrande EP-3E volledig te vernietigen. De Chinese luchtverdediging is, net als het merendeel van de rest van de uitrusting niet modern. Rusland heeft een klein aantal moderne S-300 luchtafweerraketten geleverd. Maar daartegen heeft de Amerikaanse luchtmacht allang een antwoord gevonden.

Het voorbehoud over de militaire Chinese aspiraties werd recent krachtig verwoord in studies van de conservatieve denktanks Rand en het Nixon Center. Hoewel er binnen het Chinese militaire bestel pockets of excellence zijn, heeft China, aldus Rand, minstens twintig jaar nodig om op het huidige westerse militair-technologische niveau te komen. Het Nixon Center denkt zelfs dat de kloof in militair expertise alleen maar groter wordt. Maar in China denken ze daar blijkbaar heel anders over.