Landbouw is controle kwijt

De massale inenting die het ministerie van Landbouw vandaag is begonnen is niet bedoeld om de dieren te redden. De actie is een noodgreep uit vrees dat de epidemie uit hand loopt.

De scherpste criticus in de Tweede Kamer van de crisisaanpak van lanbouwminister Brinkhorst, Kamerlid H.E. Waalkens, was gisteren de eerste om de massale vaccinatie in de Noord-Oost Veluwe te verwelkomen. ,,We zijn verwikkeld in een race tegen de klok om het virus voor blijven'', zei Waalkens. ,,Daarvoor moet je grote gebieden op slot zetten, dat zeg ik al weken. Deze indeling in compartimenten komt eigenlijk al te laat.''

Waalkens (PvdA) is het vanaf het begin van de Europese mond- en klauwzeercrisis oneens geweest met Brinkhorst over de maatregelen om verspreiding de ziekte te voorkomen. De minister (D66) neemt scherpere maatregelen naarmate de dreiging toeneemt. De PvdA staat een tegenovergestelde strategie voor: beginnen met de strengste maatregelen, en dan afbouwen als de dreiging afneemt. `Opstapelen' tegenover `afpellen', heet dat in Haagse termen.

De vrees van Waalkens is dat alle extra maatregelen nu te laat komen en dat het virus zich vooraf al onderhuids, onzichtbaar, het gebied is ontsprongen. ,,Ik vraag me af hoeveel MKZ-tijdbommen er nog rondlopen in Nederland'', aldus Waalkens gisteren.

Inmiddels betoont ook minister Brinkhorst zich steeds bezorgder. Hij zei het gisteren voluit: de epidemie in Nederland is ,,niet onder controle''. Hij zei vooral ongerust te zijn over het zich steeds maar uitbreidende aantal gevallen rond Oene - sinds gisteren zijn in die regio inmiddels veertien bedrijven besmet verklaard.

Tegen deze oplopende bezorgdheid heeft Brinkhorst de bestrijdingsstrategie gewijzigd. Al vorige week werd op het ministerie gewerkt aan een opdeling van land in `compartimenten': gebieden waarvoor verschillende inschattingen van het gevaar gelden en waarvoor verschillende voorzorgsmaatregelen zouden kunnen gaan gelden, bijvoorbeeld voor het vervoer van mest, van varkens en andere dieren naar slachterijen, maar ook voor export.

Het succesvolle verzoek van de Nederlandse delegatie, gisteren in Brussel, om te mogen vaccineren in ten minste één gebied, rond de besmettingshaard in Oene, is de eerste bezegeling van deze aanpak. Anders dan in Engeland, heeft Nederland niet algeheel exportverbod opgelegd gekregen voor twee jaar, maar een regionaal exportverbod voor het vaccinatiegebied voor kortere tijd - maximaal één jaar. Uit deze regionale aanpak, vergelijkbaar met de Franse aanpak van isoleren van het virus in de getroffen departementen Mayenne en Seine-et-Marne, kunnen andere gebieden in Nederland de hoop putten dat ze zullen ontsnappen aan het virus.

Toch strekt de dreiging zich hier verder uit. Er is al mond- en klauwzeer in Kootwijkerbroek, in een veedicht gebied op de Veluwe. Een extra complicatie is dat het virus zich onberekenbaar gedraagt: zelfs zeer vatbare dieren als kalveren blijken het wel een maand onder de leden te kunnen hebben voor de ziekte zich openbaart. Andere dieren zoals schapen dragen het virus soms wel, maar worden niet ziek. Het ministerie wacht zo al tien dagen op definitieve uitslagen van MKZ-testen van `verdachte' bedrijven in de Brabantse plaatsen Sprang-Capelle en Berghem.

Juist die kennis wordt op het ministerie als cruciaal beschouwd om de echte verspreiding van het virus in te schatten. Vooral in de regio rond Berghem liggen talloze varkenshouderijen. Een uitbraak in deze streek zou uitlopen op een massale ramp waarbij de 115.000 dieren die nu rond Oene worden geruimd in het niet vallen.

In dit licht bezien is de noodvaccinatie in het compartiment Oene vooral een noodgreep, een verbeten poging om het virus met een nog weer dikkere streep over de landkaart binnen vastomlijnde grenzen te bezweren.

    • René Moerland