Hoe agressiever hoe aantrekkelijker

Vechtsporten, hard en `zacht', zitten (weer) in de lift. Dankzij een gevarieerder aanbod en vrouwen die zich wapenen tegen de gevaren van de straat. Ook de vechtsportgala's met freefight nemen hand over hand toe.

Het is inmiddels een vertrouwd beeld in de Nederlandse sportscholen: jonge en minder jonge vrouwen die, veelal opgezweept door opwindende muziek, in de middag- of avonduren schijngevechten voeren in een helverlichte hal. Onder begeleiding van een al even fanatieke trainer of trainster, die zijn of haar handen vol heeft aan het groeiende legertje neo-vechtsporters.

Aikido, tai-chi, tae-bo, muay thai boxing, kempo, ju-jitsu en sambo – het aanbod in de gemiddelde, op commerciële leest geschoeide gym is overweldigend. Voor een leek zijn de diverse gevechtsstijlen nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Zelfs kenners moeten af en toe het antwoord schuldig blijven op de vraag wat de belangrijkste verschillen zijn. ,,Dat merk je vanzelf wel'', luidt dan de aanbeveling.

Body Combat is de allernieuwste vondst: een intensief programma op basis van bewegingen en technieken afkomstig uit (vecht)sporten als karate, boksen en tai-chi. Met de `onschuldige' (want niet-contactgerichte) gevechtsvarianten spelen de sportscholen handig in op de wensen van de consument. Het bevordert niet alleen het schoonheidsideaal (slank en fit), het verschaft bovendien een gevoel van veiligheid op straat.

Bijkomend voordeel van de toename van het aantal vrouwelijke beoefenaren: ook hun kinderen komen – bij gebrek aan adequate kinderopvang vooral – al op jonge leeftijd in aanraking met het gestoei met lijf en leden. Zo begon een sportschool in Rotterdam-Noord onlangs een cursus (Tuimelen en buitelen) om kinderen van vier tot zes jaar de basisbeginselen van het judo bij te brengen.

Maar verreweg de grootste aantrekkingskracht oefenen de agressieve vechtsporten uit, martial arts met exotische namen als taido, pencak silat, hapkido, pancrase en vale tudo. Dat is opmerkelijk, na de ophef van zeven jaar geleden toen freefight – een verzamelnaam voor het schoppen, wurgen, (af)klemmen en slaan van de tegenstander – werd verketterd als een ontoelaatbare vorm van barbarij.

Beelden van bloederige kooigevechten waren voor de regering destijds aanleiding een verbod af te kondigen op de verbeten man-tegen-mangevechten. De toenmalige staatssecretaris van Sport, Erica Terpstra, gaf socioloog Maarten van Bottenburg opdracht het krachtenveld in kaart te brengen. Diens bevindingen, opgetekend in het rapport De verharding van het wedstrijdvechten, boden een verhelderend inzicht in de commerciële wereld van de `harde' vechtsporten.

Ruim zes jaar na dato is freefight bezig aan een comeback. Van Bottenburg spreekt van een ,,stabiele kern van vechters'', maar signaleert daarnaast ,,een groeiend aanbod van gevechtsstijlen en wedstrijdgala's waardoor de publieke belangstelling evenredig toeneemt''. Verder denkt hij dat ,,organisatoren onder het mom van freefight de teugels steeds verder laten vieren om tegemoet te komen aan de wensen van het publiek''.

Cijfers ondersteunen het vermoeden dat het pancrase – afgeleid van het pancraton uit de Griekse Oudheid, waarbij de atleten worstelen en vuistvechten combineerden – na een relatieve stilte weer bloeit als nooit tevoren. Zo telde Nederland vijf jaar geleden nog slechts twee vechtsportgala's, dit jaar komt het aantal free- of ultimate fight-avonden uit op meer dan twintig.

Dat aantal zal eerder toe- dan afnemen, gelet op de massale belangstelling. In Rotterdam was vorige maand geen toegangskaart meer te krijgen aan de deur van sportpaleis Ahoy' voor het internationale vechtsportgala waar bijna een half miljoen gulden aan prijzengeld op het spel stond. Alle kaarten, achtduizend in totaal, gingen in de voorverkoop van de hand. En niet voor niets: het goedkoopste ticket kostte honderd gulden.

De officiële bespeler van de freefightmarkt is een organisatie die luistert naar de naam Rings Holland. Het wereldwijd opererende bedrijf, onderdeel van een Fighting Network met filialen in elf landen en een hoofdkantoor in Japan, staat in Nederland onder leiding van Chris Dolman, een oud-worstelaar en -judoka die in de jaren zeventig naam maakte als ordehandhaver op de Amsterdamse Wallen. `Het bevorderen van sambo-worstelen (Russische zelfverdedigingssport, red.) en het vrije gevecht als wedstrijdsport' is de doelstelling van de enige freefightbond die, als kandidaat-lid van de Federatie Oosterse Gevechtskunsten (FOG), met een NOC*NSF-status kan pronken.

Albert van Mildert, secretaris van de FOG, wijt de toegenomen interesse voor het harde gevecht aan aloude sensatiezucht. ,,Zodra er bloed op het tapijt ligt, komen mensen erop af. Ook al zijn de Rings-gala's aan strikte regels gebonden, voor de leek – en dat zijn er nogal wat – blijft het spectaculair om te zien hoe twee sporters elkaar te lijf gaan. Terwijl ik als kenner zeg: het valt allemaal reuze mee. Sterker nog: toen ik laatst in Utrecht bij zo'n gala was, bekroop mij het gevoel dat ik m'n tijd aan het verdoen was.''

Van Bottenburg constateert een omslag bij de gemeenten. ,,Na alle commotie over de kooigevechten zat de schrik er goed in. Sinds anderhalf jaar wordt zonder al te veel problemen een vergunning afgegeven. In die zin lijkt het wel alsof het freefight bezig is met een inhaalslag. Getuige ook de enorme show, compleet met vuurwerk, die ze er tegenwoordig omheen bouwen.''

Populair zijn vooral de zogeheten `K1-toernooien', waarbij karateka's onder meer de strijd aanbinden met kickboksers. In Japan wonnen twee Nederlandse vechters, Ernesto Hoost en Peter Aerts, onlangs zes toernooien, zoals te zien was op de commerciële tv-zender SBS. Verder heeft ook de olympische erkenning van taekwondo bijgedragen aan de groeiende populariteit.

Fred Royers, voormalig wereldkampioen karate en instructeur op een sportschool in Arnhem, is niet verbaasd over de toenemende belangstelling. ,,Het was wachten op een doorbraak, op het moment dat de harde vechtsporten uit het verdomhoekje zouden treden. Judo heeft indertijd ook heel lang het stempel gedragen van een `onfrisse sport'. Totdat Anton Geesink in 1964 een gouden medaille won bij de Olympische Spelen in Tokio.''

Ter verklaring wijst Royers verder op het gewijzigde publiek. ,,Een paar jaar geleden was het de harde kern, zeg maar de tough guys met de kettingen en de tatoeages, die een sportschool binnenstapten. Tegenwoordig wemelt het van de studenten en kijk ik allang niet vreemd meer op als 's avonds de tandarts met z'n sporttas onder de arm binnenkomt om zich te bekwamen in een of andere vechtsport.''

Volgens sommigen ligt de verruwing van de maatschappij ten grondslag aan de groeiende interesse voor vechtsporten. Van Bottenburg kent dat vooroordeel. ,,Maar dat argument is me te makkelijk. Uit onderzoek blijkt dat bezoekers steeds hogere eisen stellen en organisatoren daarop inspelen. Wat vandaag nog leuk is, is morgen al niet hard genoeg meer.''

Ook de emancipatie speelt volgens Royers een rol. ,,Meiden willen tegenwoordig niet onderdoen voor jongens. Die zijn zeer zelfbewust, niet bang uitgevallen en op zoek naar een vorm van erkenning. Die vinden ze tegenwoordig steeds vaker in een sportschool.''

    • Mark Hoogstad