VS en Canada maken ruzie over houthandel

De Amerikaanse houthandel beschuldigt Canada van oneerlijke concurrentie. De Canadezen verwijten de Amerikanen op hun beurt van protectionisme.

De Verenigde Staten en Canada hebben gisteren hun openingssalvo's afgevuurd in een hernieuwde handelsoorlog rond een van de heetste hangijzers in hun betrekkingen: hout. Het escalerende geschil, waarbij de VS Canada beschuldigt van oneerlijke subsidies en Canada de VS protectionisme verwijt, dreigt uit te groeien tot de ernstigste handelsruzie in jaren tussen de twee landen, die met ruim een miljard dollar (2,5 miljard gulden) aan onderlinge handel per dag 's werelds omvangrijkste economische relatie onderhouden.

Een vijfjarig bestand rond de houthandel was afgelopen weekeinde amper verlopen, of de Amerikaanse houtsector diende gisteren een klacht in bij het Amerikaanse departement van Handel in Washington. Canada, dat jaarlijks bijna elf miljard Canadese dollar aan halfbewerkt hout naar de VS exporteert, wordt daarin beschuldigd van oneerlijke subsidiepraktijken die Amerikaanse producenten uit de markt prijzen. Het zou daarbij niet gaan om directe exportsubsidies, maar om vergunningen om bomen te kappen op percelen die eigendom zijn van de overheid, tegen aanzienlijk lagere vergoedingen dan op de Amerikaanse kapmarkt haalbaar is. In de VS wordt overwegend gekapt op land in particulier bezit.

De Amerikaanse houtproducenten willen dat invoeraccijnzen tot veertig procent worden ingesteld op Canadees hout, om de in hun ogen oneerlijke concurrentie ongedaan te maken. Volgens hen verkopen Canadese deelstaten hun bomen voor een kwart van de Noord-Amerikaanse marktwaarde aan houthakkers – soms met verlies, uitsluitend om zagerijen open te houden en werkgelegenheid te handhaven. De tarieven zouden de Canadese houtproducenten in staat stellen hun marktaandeel van 34 procent van de Amerikaanse vraag naar hout te behouden.

,,Canada subsidieert zijn hout en dumpt het onder kostprijs,'' verklaarde Rusty Wood van de Coalitie voor Eerlijke Houtimporten gisteren in Washington. De coalitie, die een meerderheid van Amerikaanse Senatoren aan haar zijde heeft, vreest dat een ,,muur van Canadees hout'' de VS zal binnenstromen nu een houtverdrag uit 1996 is verlopen. Onder dat verdrag beperkte Canada `vrijwillig' zijn houtexporten naar de VS tot 14,7 miljard kubieke voet (420 miljoen kubieke meter) per jaar, in ruil voor vrede aan het houtfront, dat al sinds 1982 een voortdurende bron is van ruzie.

Canada vat het einde van het akkoord juist op als een begin voor volkomen vrijhandel in hout. Ottawa meent recht te hebben op een open markt onder het Noord-Amerikaanse Vrijhandelsakkoord (NAFTA). De Canadese regering onderstreept dat de Canadese houtsector drie maal eerder is aangeklaagd door de Amerikaanse wegens illegale subsidies, en in alle gevallen door arbitragecommissies van de Wereldhandelsorganisatie onschuldig werd bevonden.

,,Deze handelsactie gaat niet over subsidies of over onze industrie,'' zei de Canadese minister van Handel, Pierre Pettigrew, gisteren in Ottawa. ,,Het is een kwestie van protectionisme.''

De Amerikaanse handelsvertegenwoordiger Robert Zoellick heeft met handelsoorlog gedreigd als Canada niet vrijwillig een exportbelasting op hout instelt, maar Pettigrew hield gisteren voet bij stuk en zei dat ,,we een stelsel van regels hebben en daar gebruik van zullen maken.'' Een arbitragezaak kan evenwel jaren duren en kostbaar zijn.

Overigens steunen sommige Amerikanen de positie van Ottawa. De belangengroep Amerikaanse Consumenten voor Betaalbare Woningen ziet het goedkope Canadese hout graag komen. Beperkingen op de invoer van Canadees hout verhogen volgens die groep onnodig de prijs van een gemiddelde woning in de VS met duizend dollar.

Desondanks heeft voormalig president Jimmy Carter, prominent voorvechter van betaalbare behuizing, zich openlijk tegen Canada gekeerd. Hij pleit voor ,,een einde aan kunstmatige prijsrestricties die de Canadese regering heeft ingesteld op hout, zodat de Canadese en Amerikaanse houtsectoren op gelijke voet met elkaar kunnen concurreren.''

    • Frank Kuin